Joden in de Cariben

 

joden in de cariben joods historisch museum suriname

Vier eeuwen geschiedenis
in Suriname en Curaçao

In de zeventiende eeuw ontwikkelde de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zich tot de belangrijkste handelsnatie ter wereld, met Amsterdam als kloppend hart. Dit imperium strekte zich uit van Azië tot West-Indië. In het kielzog van de overzeese handelsexpedities werden koloniën gesticht in Brazilië, Nieuw-Amsterdam, Curaçao en Suriname.

Portugees-joodse kooplieden die zich vanaf 1600 in Amsterdam vestigden om te ontkomen aan de Inquisitie, hadden wijdvertakte handels- en familienetwerken. Vanuit Amsterdam vertrokken zij naar de koloniën, waar hun verregaande rechten werden gegund, die voor die tijd ongekend waren. Daar stichtten zij gemeenten, die sterke banden onderhielden met de Amsterdamse Portugees-joodse moedergemeente.

De vestiging van uit Amsterdam afkomstige Portugese joden in Brazilië en Nieuw-Amsterdam was van korte duur. In Suriname en op Curaçao stichtten zij joodse gemeenten, die tot vandaag de dag bestaan.
Deze dragen de sporen van de koloniale samenleving waarin zij zich ontwikkelden. Deze tentoonstelling vertelt het verhaal van de opkomst, bloei en neergang van deze vier joodse gemeenschappen.

AmsterdamJoden in de cariben jck

Portugese joden in Amsterdam

Aan het begin van de zeventiende eeuw groeide de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden uit tot het centrum van de wereldhandel. In deze tijd van economische voorspoed ontwikkelde Amsterdam zich tot doorvoerhaven en wereldmetropool. De Republiek had zich losgemaakt van de Spaanse overheersing en het protestantisme had het katholicisme als de dominante godsdienst verdrongen.

In 1602 richtte de Republiek de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) op, die het monopolie kreeg om overzeese handel te drijven met Azië. Als tegenhanger ontstond in 1621 de West-Indische Compagnie (WIC), die zich richtte op West-Afrika en Noord- en Zuid-Amerika. De WIC stichtte verschillende koloniën in de Nieuwe Wereld.

De bloeiende handel en het tolerante beleid van Amsterdam maakten van de stad een aantrekkelijke vestigingsplaats voor religieuze minderheden. Portugese ‘nieuw-christenen’ (tot het katholicisme bekeerde joden) die op de vlucht waren voor de Inquisitie, kwamen naar Amsterdam en keerden daar terug tot het jodendom.

Onder hen waren vele kooplieden met wijdvertakte handelsnetwerken. Zij zouden een aanzienlijke bijdrage leveren aan de economische en culturele bloei in de Gouden Eeuw.

Handelscentrum van de wereld

De positie van Amsterdam als handelscentrum van de wereld ging gepaard met een explosieve bevolkingsgroei. In de zeventiende eeuw groeide het aantal inwoners van 30.000 naar 210.000. De stad werd uitgebreid met de grachtengordel, en in 1609 werden de Amsterdamsche Wisselbank en de Koopmansbeurs opgericht.

Mensen kwamen van heinde en ver om er te speculeren. Zo verkochten Portugees-joodse kooplieden er producten en aandelen van de VOC en WIC, en sloten er verzekeringen af. Amsterdam profiteerde volop van hun kennis en handelscontacten.

jck cariben

jck cariben
Handelsroutes van de VIC en WIC. De historische locaties zijn aangegeven op kaarten met hedendaagse landsgrenzen.

 

jck
De vele schepen tonen de bedrijvige haven van Amsterdam, centrum van de wereldhandel. Links zijn de pakhuizen van de WIC te zien en de Portugese en Hoogduitse (Asjkenazische) synagogen.
Gerard van Keulen, gravure, ca. 1720. Stadsarchief Amsterdam
jck cariben
In de Koopmansbeurs op de Dam in Amsterdam werden schepen bevracht, producten en aandelen verkocht en verzekeringen en leningen afgesloten. Op de pilaren rondom de binnenplaats hingen de prijslijsten van te verhandelen producten.
Job Adriaensz. Berckheyde, olieverf op doek, ca. 1670. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam
jck
Lijst met de officiële prijzen van goederen die op de Koopmansbeurs werden verhandeld, waaronder verschillende soorten suiker.
Amsterdam, 3 maart 1636. Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam

 

Wijdvertakte netwerken

In 1492 moesten de joden uit Spanje vertrekken of zich bekeren tot het christendom. Velen vluchtten naar Portugal of het Middellandse Zeegebied. In 1497 volgde de gedwongen doop van joden in Portugal. De bekeerlingen op het Iberisch Schiereiland, die nieuw-christenen werden genoemd, verwierven zich als kooplieden belangrijke posities. Om de toenemende druk van de Inquisitie te ontvluchten maar ook uit economische overwegingen, vertrokken sommigen naar Brazilië. Anderen vestigden zich rond 1600 in Amsterdam en keerden daar terug tot het jodendom.

De Portugese joden van Amsterdam deelden familiebanden, etniciteit, cultuur, taal en lot met de Sefardische (Spaans-Portugese) en nieuw-christelijke gemeenschappen elders; zij waren onderdeel van de Naçao, de Spaans-Portugese Natie. Via hun netwerken importeerden ze suiker en tabak uit Brazilië en diamant, specerijen en katoen uit India. Ook op religieus en sociaal gebied onderhielden de gemeenschappen contact met elkaar.

jck
Vanaf 1540 hield de Inquisitie in Portugal de nieuw-christenen nauwlettend in de gaten. Wie ervan werd verdacht in het geheim de joodse religie nog aan te hangen, werd verhoord en vaak gemarteld. ‘Schuldigen’ konden eindigen op de brandstapel. In het verre Brazilië had de Inquisitie minder vat op de nieuw-christenen.
Bernard Picart, gravure, Amsterdam, 1722 Joods Historisch Museum, Amsterdam
jck cariben
Dit briefje vermeldt de vracht die Isaac de Solas uit Amsterdam stuurde aan zijn familielid en zakenpartner Benjamin de Solas op Curaçao: twee kisten, twaalf kazen en een vat.
Vrachtbrief, 1766 Stadsarchief Amsterdam
jck
Onder de Portugees-joodse immigranten waren ook vele armen, die zwaar drukten op de gemeentekas. Daarom werd een zo groot mogelijk aantal weggezonden naar Portugeesjoodse gemeenten elders. Ze kregen een som geld die deels werd uitbetaald in Amsterdam, deels op de plaats van bestemming. Tussen 1759 en 1814 vertrokken er meer dan vierhonderd arme joden, vaak met hun gezin, van wie 135 naar Suriname en 73 naar Curaçao. Hun namen staan vermeld in een boek waaruit deze pagina afkomstig is.
Register van uitkeringen aan lidmaten van de Portugeesjoodse gemeente als reisgeld om naar elders te vertrekken, 1759- 1802 Stadsarchief Amsterdam
jck
De vereniging Santa Companhia de Dotar Orfas e Donzelas werd in 1615 opgericht en verlootte bruidsschatten voor Sefardische weesmeisjes en ‘behoeftige jongedochters’. Sefardische joden waar ook ter wereld konden lid worden. In dit register zijn de meisjes vermeld aan wie een bruidsschat werd uitgekeerd, zoals in 1719 aan Sipora, dochter van Isaac Hisquiau Habillo in de Nederlandse kolonie St. Eustatius.
Besluiten van Santa Companhia de Dotar Orfas e Donzelas, 1661-1735 Stadsarchief Amsterdam
jck
Deze prent toont de inwijding van de Portugese Synagoge in Amsterdam in 1675. Het majestueuze gebouw weerspiegelde de welvaart en religieuze vrijheid van de Portugese joden. De zinnebeeldige voorstelling boven aan verbeeldt de band tussen de joodse gemeenschap, de stad Amsterdam en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het interieur zou model staan voor synagogen in de Nieuwe Wereld.
Romeyn de Hooghe, ets, 1675, Joods Historisch Museum, Amsterdam
jck
Vanuit de Portugees-joodse gemeente werden rituele voorwerpen naar de nieuwe koloniën in de Nieuwe Wereld gezonden, waaronder zilveren siertorens als deze.
Pieter van Hoven, Amsterdam, 1696 Portugese Synagoge, Amsterdam

 

Driehoekshandel

In 1630 veroverde de WIC Pernambuco. Dit Braziliaanse district was rijk aan suikerplantages, en voor de suikerproductie had de WIC goedkope arbeidskrachten nodig. Zo ontstond een driehoekshandel.

Vanuit Amsterdam zond de WIC schepen met producten als buskruit, brandewijn en stoffen naar West-Afrika. Deze werden daar geruild tegen goud, ivoor en tot slaaf gemaakte Afrikanen. WIC-schepen brachten deze tot slaaf gemaakten vervolgens naar de Cariben. De schepen keerden naar Amsterdam terug met suiker, hout en tabak. Bij deze driehoekshandel waren Portugese joden vooral betrokken als reders, bevrachters, makelaars en verzekeraars.

jck
Amsterdamse vertegenwoordigers van plantage-eigenaren bestelden tot slaaf gemaakten bij de West-Indische Compagnie. Dit contract, dat de verkoop vastlegt, vermeldt hun namen en het aantal te leveren tot slaaf gemaakten, zoals zes tot slaaf gemaakten voor de Portugees-joodse Abraham Rodrigues de Prado, vertegenwoordiger van Jacob Rodrigues de Prado of van Sabatay de Samora. In het contract was vastgesteld dat de tot slaaf gemaakten ‘niet blind of gebroken waren en ook geen besmettelijke ziekten hadden’. De WIC zorgde vervolgens voor de aankoop en het transport van gevangengenomen Afrikanen naar de Cariben.
Contract opgemaakt door notaris Stephanus Pelgrom, Amsterdam, 1706 Stadsarchief Amsterdam
jck
De Portugees-joodse Baron Manuel Belmonte (overleden 1705), hier voor zijn huis aan de Herengracht 586, was agent van de Spaanse Kroon in Amsterdam en investeerder in de WIC. Hij was vanaf 1685 enkele jaren zaakgelastigde in Amsterdam van de Spaanse contracthouder, die in opdracht van Spanje jaarlijks 3000 tot slaaf gemaakten aan de Spaanse koloniën moest leveren. Deze opdracht werd uitbesteed aan de WIC.
Romeyn de Hooghe, ets, 1700-1705 Joods Historisch Museum, Amsterdam, Collectie Jaap van Velzen
jck
In 1637 veroverde de WIC Fort Elmina op de Portugezen. Deze handelspost aan de Goudkust in het huidige Ghana werd de belangrijkste doorvoerhaven van tot slaaf gemaakten. Jaarlijks werden duizenden zwarte Afrikanen hier ingescheept voor de uitputtende reis naar de Cariben. Velen overleefden de overtocht niet.
Gerard van Keulen (naar een afbeelding uit 1668), aquarel, ca. 1720 Nationaal Archief, Den Haag
jck
Kralen waren een gewild ruilmiddel bij Afrikaanse tot slaaf gemaaktenhandelaren. Deze kralen zijn gemaakt in Amsterdam.
17e eeuw. Bureau Monumenten & Archeologie, Amsterdam
jck
Deze kaurischelpen, die de VOC uit Azië naar Amsterdam had gebracht, werden door de WIC gekocht als ruilmiddel voor tot slaaf gemaakten. Tijdens het hoogtepunt van de handel in tot slaaf gemaakten was Amsterdam hét centrum van de kaurihandel.
1775- 1800. Bureau Monumenten & Archeologie, Amsterdam
jck
In 1788 voer het WIC-schip De Vrouw Maria Geertruida naar Fort Elmina met onder andere deze stofstalen aan boord. Ze werden getoond aan Afrikaanse handelaren om te zien welke stoffen in de smaak vielen als ruilmiddel voor tot slaaf gemaakten. Meest gewild waren de Indiase en Indische stoffen die door de VOC naar Nederland werden gebracht. Zo was feitelijk ook Azië bij de driehoekshandel betrokken.
Stofmonsters, 1788. Nationaal Archief, Den Haag
jck
Tot slaaf gemaakten arriveerden in de koloniën na een maandenlange reis vol ontberingen. Na aankomst werden zij doorverkocht aan handelaren van tot slaaf gemaakten of plantage-eigenaren. De Nederlanders verscheepten ruim 500.000 tot slaaf gemaakten naar de Nieuwe Wereld.
Met de hand ingekleurde gravure uit: John Gabriel Stedman, The Narrative of a Five Years’ Expedition against the Revolted Negroes of Surinam, Londen, 1806 Edwin van Drecht

 

Naar Brazilië

Eind zestiende eeuw bezaten Spanje en Portugal het vrijwel volledige Europese monopolie op de handel en kolonisatie in Afrika, Amerika en Zuidoost-Azië. De oprichting van de WIC in 1621 was bedoeld om het Spaanse en Portugese monopolie in Amerika te doorbreken. De Portugese joden van Amsterdam steunden de plannen van de WIC om Brazilië te veroveren.

Verschillende van hen hadden, vóór hun terugkeer tot het jodendom, in Brazilië gewoond. Zij informeerden de WIC over het grote aantal katholieken en nieuw-christenen onder de bevolking daar. Toen de WIC in 1624 de Braziliaanse stad Bahia veroverde, bepaalden de Nederlanders daarom ‘dat de vrijheid van Spanjaarden, Portugezen en inboorlingen, of dit nu rooms-katholieken of joden waren,’ zou worden gerespecteerd.

suriname

suriname jck
De historische locaties zijn aangegeven op kaarten met hedendaagse landsgrenzen.
suriname jck
Suikerplantage in Brazilië met planterswoning, kapel en suikermolen. Bij het malen van suikerriet kwam sap vrij, dat via een goot naar koperen ketels liep, waar het door koken werd gezuiverd. De half gekristalliseerde suiker werd in grote kleivormen gegoten die in het drooghuis werden opgeslagen. Dit zware werk werd verricht door gemiddeld vijftig tot slaaf gemaakten. Het aantal suikerplantages dat in handen was van Portugese joden was klein, in 1637 waren het er 6 van de 44. 
Frans Post, olieverf op doek, ca. 1650-1660. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam Nederland

 

Brazilië

brazilie jck

Portugese joden in Brazilië

De verovering van de toenmalige hoofdstad Bahia in 1624 door de WIC was kortstondig; de stad werd een jaar later weer Portugees. In 1630 volgde een nieuwe – succesvolle – aanval en slaagde de WIC erin de provincie Pernambuco in het noordoosten van Brazilië te veroveren en geleidelijk aan ook grote delen van de suikerdistricten
in het achterland. De rechten die de joden in de kolonie hadden, zoals geformuleerd in 1624, vormden de basis voor de verregaande privileges die ze daarna genoten.

Deze voorrechten waren uitgebreider dan die in Amsterdam en trokken vele immigranten: begin jaren 1640 vormden joden de grootste groep. Sommige waren werkzaam in de detailhandel of oefenden ambachten uit – beroepen waar joden in Amsterdam geen toegang toe hadden. Anderen werden actief in de lucratieve suiker- en tot slaaf gemaaktenhandel. Door een opstand van Portugese planters in 1645 werd de positie van de WIC blijvend verzwakt.

In 1654 werden de Nederlanders uiteindelijk door de Portugezen verdreven en keerden de meeste joden terug naar de Republiek.

brazil jck
De Portugese joden vestigden zich in Recife en Mauritsstad. De tot slaaf gemaaktenmarkt vond plaats midden in de stad Recife, in dezelfde straat waar zich de synagoge van de Portugese joden bevond. Enkele dagen na hun aankomst werden de tot slaaf gemaakten hier verkocht aan Nederlandse en Portugees-joodse kooplieden. Dit is een van de schaarse afbeeldingen van het verhandelen van tot slaaf gemaakten.
Zacharias Wagener, aquarel uit Thier-Buch, ca. 1638 Staatliche Kunstsammlungen, Dresden
jck
Iets ten noorden van Mauritsstad (witte vlak, midden boven) bevond zich de joodse begraafplaats, die tot de bouw van twee bruggen alleen bereikbaar was per boot. In Recife werd in 1641 de synagoge Zur Israel ingewijd, de oudste van de Nieuwe Wereld. Deze bevond zich in de Bockestraat, ook Jodenstraat genoemd.
Johannes Vingboons, Caerte van de haven van Pharnam-bocqve, met de stadt Mouritius en dorp Reciffo ende bijleggende forten, met alle gelegentheden van dien, aquarel, Amsterdam, ca. 1650 Nationaal Archief, Den Haag
jck
In 1636 stichtten de Portugese joden in Recife de gemeente Zur Israel en in 1637 ontstond de gemeente Magen Abraham in Mauritsstad. Deze reglementen en besluiten van beide gemeenten bevatten notulen van vergaderingen, voorschriften voor het heffen van belasting, en een herziening van de 42 reglementen, die waren gebaseerd op die van de Portugeesjoodse gemeente van Amsterdam.
Register houdende reglement en besluiten, 1648-1653 Stadsarchief Amsterdam
jck
Portret van Isaac Aboab da Fonseca (1605- 1693), die in het seminarium Ets Haim in Amsterdam was opgeleid tot rabbijn en van 1642 tot 1654 rabbijn was van de Portugees-joodse gemeente Zur Israel.
A. Nagtegael, mezzotint, 1685-1686. Joods Historisch Museum, Amsterdam
jck
Jehuda Machabeu (overleden na 1664), een gevierd kalligraaf in Amsterdam, was tussen 1646 en 1654 in Brazilië. Daar vertaalde hij deze Hebreeuwse gebeden volgens de Sefardische rite in het Spaans. Op het titelblad vermeldt hij dat hij de tekst op 11 februari 1650 in Recife voltooide.
Jehuda Machabeu, Orden de oraciones d’mes […], Recife, 1650 Ets Haim – Livraria Montezinos, Amsterdam

 

Van Brazilië naar Nieuw-Amsterdam

Van de Portugese joden die in 1654 Brazilië verlieten, belandden er 23 in Nieuw-Amsterdam. Volgens één overlevering waren ze eigenlijk onderweg naar de Franse kolonie Martinique, maar voerde een storm hun schip naar de Spaanse kolonie Jamaica. 

Daar namen de Spanjaarden hen gevangen, om ze aan de Inquisitie over te dragen. De Nederlandse Republiek protesteerde bij de Spaanse overheid en verzocht om vrijlating - met succes.
De joden zouden daarna Jamaica verlaten hebben op een schip dat naar Nieuw-Amsterdam voer.

jck

jck
De historische locaties zijn aangegeven op kaarten met hedendaagse landsgrenzen.
jck brasil
Nieuw-Amsterdam in de Nederlandse kolonie Nieuw-Nederland. Na inname door de Engelsen in 1664 werd de naam veranderd in New York.
Anoniem, Nieuw Amsterdam ofte nue Nieuw Iorx opt’t Eylant Man, aquarel, ca. 1660 Rijksmuseum, Amsterdam

 

Nieuw-Amsterdam

jck nieuw amsterdam joden

Joden in Nieuw-Amsterdam

In 1654 arriveerde een kleine groep Portugese joden in Nieuw-Amsterdam, de hoofdstad van Nieuw-Nederland. Deze kolonie in Noord-Amerika werd bestuurd door Petrus Stuyvesant. Hij was een streng calvinist, zag de joden als een religieuze en economische bedreiging en wilde hun geen toegang verlenen. De Portugees-joodse gemeente in Amsterdam wendde zich in een petitie tot de WIC, die Stuyvesant instructies gaf.

De Portugese joden kregen nu het recht om zich te vestigen en handel te drijven, maar zij kregen geen officiële toestemming hun godsdienst openlijk te belijden of werkzaam te zijn in ambachten of detailhandel. Aan het begin van de jaren 1660 besloten de Portugese joden Nieuw-Amsterdam te verlaten en zich te vestigen in de Caribische koloniën, waar zij meer religieuze vrijheid genoten en waar de handel bloeide.

Toen Nieuw-Amsterdam in 1664 onder Engels bestuur kwam en New York ging heten, woonden er nog slechts twee joden: de Asjkenazische Asser Levy en zijn vrouw Mirjam. Zij zouden de link vormen met Shearith Israel, de gemeente die werd opgericht door Sefardische joden die vanaf 1670 in New York arriveerden vanuit Barbados en Londen. De gemeente bestaat nog steeds.

jck
Petitie van ‘kooplieden van de Portugees-joodse Natie’ gericht aan de directeuren van de WIC en de Burgemeesters van Amsterdam, met een pleidooi voor de vestiging van Portugese joden in Nieuw-Nederland.
Petitie van de Joodsche Natie, 1655 Historical Society of Pennsylvania, Philadelphia
jck
Petrus Stuyvesant (1611/12-1672), vanaf 1645 directeurgeneraal van de Nederlandse kolonie Nieuw-Nederland en gouverneur van Nieuw-Amsterdam. Deze gravure is gebaseerd op een geschilderd portret van Stuyvesant dat tijdens zijn leven werd gemaakt.
Charles Kennedy Burt, gravure, 19de eeuw New York Public Library
jck
In 1655 arriveerden zes vooraanstaande Portugees-joodse kooplieden uit Amsterdam in Nieuw-Amsterdam, een stadje met circa 1300 inwoners. Een van hen, Abraham de Lucena, woonde in een huis op de hoek van Paerl Street en Whitehall Street (A). In zijn huis werden waarschijnlijk de eerste synagogediensten gehouden. De eerste Portugese synagoge van Shearith Israel werd decennia later gebouwd in Mill Street (B).
Jacques Cortelyou, Afbeeldinge van de stadt Amsterdam in Nieuw Neederlandt, inkt en aquarel op papier, 1660 Biblioteca Medicea Laurenziana, Florence
jck
Deze handleiding voor de voorzanger van de gemeente werd geschreven door Joseph Jesurun Pinto (1729-1782), die net als verschillende andere voorzangers in New York, een opleiding volgde aan het seminarium Ets Haim. Voor zijn komst naar New York werkte Pinto in Amsterdam en Londen. In zijn handleiding zet hij de verschillende liturgieën van Amsterdam, Londen en New York naast elkaar.
Joseph Jesurun Pinto, Seder Hazanut por o qual se deve governar hum Hazan para as Rezas e Ceremonias, conforme se estila em nossa Kehila, Amsterdam, 1758 Ets Haim – Livraria Montezinos, Amsterdam
jck
Deze chanoekalamp van Nederlandse makelij toont de nauwe religieuze en culturele banden tussen de Portugees-joodse gemeenschappen aan beide zijden van de oceaan. Volgens overlevering werd hij al gebruikt in de eerste synagoge van New York.
Nederland, 1730. Congregation Shearith Israel, New York

 

De overtocht

Het leven in de koloniën sprak tot de verbeelding van vele inwoners van de Republiek. Toch verkozen de meeste hun vertrouwde omgeving boven een reis naar onbekende oorden. Bij de Portugese joden was de situatie anders: zij waren vluchtelingen en nergens echt geworteld. In navolging van familieleden en handelspartners vertrokken vele naar de koloniën op vrachtschepen, beladen met bijvoorbeeld brandewijn en textiel. De reis duurde enkele maanden en was niet zonder gevaren: schipbreuk en kapers vormden reële risico’s.

jck
Aankomst en vertrek van schepen werden vermeld in de krant. Zo konden vracht en passagiers voor het schip Mercurius worden aangemeld bij bevrachters, onder wie de Portugese joden Daniel en Moses Parra en Isaac da Costa Jesurun. Het schip vertrok vanuit Texel naar Curaçao.
Ca. 1780-1790 Joods Historisch Museum, Amsterdam
jck
De Sociëteit van Suriname, de juridische eigenaar van de kolonie, en de Amsterdamse Portugees-joodse gemeente kwamen een aantal voorwaarden overeen voor de vestiging van arme joden in Suriname. De Sociëteit betaalde reiskosten, garandeerde comfort en privacy voor de kolonisten tussendeks, en zorgde voor voldoende proviand. Vlees en kaas, koosjere producten, mochten ze zelf meenemen, evenals bagage: per persoon één kist.
Verslag van de afspraken tussen de Portugees- joodse gemeente en de Sociëteit van Suriname aangaande arme Portugees-joodse kolonisten die naar Suriname vertrekken, 1735- 1749 Stadsarchief Amsterdam
jck
Woordenboek met scheepstermen in het Nederlands, Frans, Portugees en Spaans, geschreven door een lid van de Portugees-joodse gemeente.
David Franco Mendes, Nieuw Zeevaarts Woordenboek, Amsterdam, ca. 1780 Ets Haim – Livraria Montezinos, Amsterdam
jck
Zegenspreuken die worden gezegd bij het zien van de oceaan en bij het zien van mensen met een ander uiterlijk, hier verbeeld door een man met zwarte huidskleur en een klein mens.
Seder Birkat Hamazon, manuscript, Deutschkreutz, 1751 Collectie Braginsky, Zürich

 

Gekaapte brieven

Eenmaal aangekomen aan de overzijde van de oceaan was het leven zwaar: het gemis van de familie, tropische ziekten, onzekere levering van goederen uit Europa en gespannen verhouding tussen bevolkingsgroepen eisten hun tol.

De kolonisten deelden hun ervaringen met hun verwanten in brieven, waarvan er talloze bewaard zijn gebleven. Deze brieven bevonden zich aan boord van schepen die in de zeventiende en achttiende eeuw werden gekaapt door de Engelsen. Ze werden in de jaren tachtig van de vorige eeuw ontdekt in het Nationaal Archief van Groot-Brittannië in Londen.

jck
Vanuit Nederland werden onder andere stoffen naar Suriname gezonden. Deze stalen werden aangetroffen op het Nederlandse schip Vriendenlust. Nadat het uit de haven van Paramaribo was vertrokken, werd het door de Engelsen gekaapt in 1794 of 1795.
Stofmonsters, 1794- 1795 The National Archives of the UK, Londen
jck
Op sommige gekaapte schepen zijn speelkaarten aangetroffen. Er werd vermoedelijk daadwerkelijk mee gespeeld, maar ze werden ook gebruikt als consumptiebonnen. In ruil voor deze kaarten uit het jaar 1756 konden passagiers die op weg waren naar de Franse kolonie Saint Domingue op een aangegeven dag een bepaalde hoeveelheid vlees krijgen.
Speelkaarten, handgemaakt, ca. 1756 The National Archives of the UK, Londen
jck
Brief van Raquel Castanho uit Suriname aan haar zoon Moise Castanho, makelaar in Londen. Zij reageert op vier brieven van hem, die na een jaar stilte waren aangekomen. Aan zijn verzoek om uit Suriname te vertrekken kan zij geen gehoor geven. Alles in het land gaat moeizaam, zij is oud en moe van het vele werk. De kosten van de postverzending zijn hoog en dus kan ze niet uitgebreid schrijven.
Suriname, 10 januari 1672 The National Archives of the UK, Londen
jck
Deze drie gouden handelsmunten (voor- en achterzijde) bevonden zich op het schip Koningin Esther toen het, onderweg van Curaçao naar Amsterdam, door de Engelsen werd gekaapt. Dit gebeurde tijdens de vierde Engels- Nederlandse oorlog (1780- 1784). Het schip was in 1758 van de Curaçaose Portugees-joodse reder Abraham J. Jeudah Leon; wie de eigenaar was toen het schip werd gekaapt, is onbekend.
Nederlandse dukaten, 18de eeuw The National Archives of the UK, Londen

 

Naar de Cariben

Na het verlies van Brazilië vestigde de WIC nieuwe nederzettingen langs de kust van het huidige Guyana. Het was een gebied waar Europese rivalen, zoals de Engelsen en Fransen, elkaar constant bevochten. In 1657 onderhandelde de WIC met de joodse pionier-kolonist David Cohen Nassy over de voorwaarden voor vestiging van joodse kolonisten. De nieuwe nederzettingen hielden kort stand, maar de verregaande rechten die joden kregen, stonden aan de basis van hun succes in twee andere koloniën: Curaçao en Suriname.

jck
De aantallen joden betreffen in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw in het algemeen leden van joodse gemeenten. Voor de twintigste en eenentwintigste eeuw is niet gemakkelijk vast te stellen hoe groot de joodse bevolking is, omdat joodse identiteit en lidmaatschap van een joodse gemeente niet langer samenvallen.
In de koloniale tijd werden de joden gezien als behorend tot de witte of Europese bevolking. Na de afschaffing van de slavernij en latere emancipatiebewegingen werden de joden een van de vele verschillende etnische groepen op Curaçao en in Suriname.
jck
De historische locaties zijn aangegeven op kaarten met hedendaagse landsgrenzen.
jck
West-Indische paskaart
Hendrick Doncker, gravure op perkament, 1659 Norman B. Leventhal Center, Boston Public Library

 

Curaçao 

jck

Joden op Curaçao 

In 1634 veroverde de WIC Curaçao, een achtergebleven Spaanse kolonie. Het eiland werd binnen enkele decennia de belangrijkste doorvoerhaven in Noord- en Zuid-Amerika en de Cariben dankzij zijn centrale ligging, natuurlijke haven en de handelsrelaties van de kolonisten met Spaans-Amerika. Doorslaggevend voor dit succes was de handel van de WIC in tot slaaf gemaakten, bestemd voor de Spaanse koloniën. Het aandeel van Portugees-joodse kooplieden hierin was gering; de meeste van hen waren actief in de goederenhandel en het verzekeringswezen. De bloeiende economie ging hand in hand met de groei van de Portugees-joodse gemeente. In de eerste helft van de achttiende eeuw was deze voor andere Sefardische gemeenten in de Nieuwe Wereld van grote betekenis op religieus, cultureel en financieel gebied.

Internationale politieke onrust aan het eind van de achttiende eeuw leidde tot de economische neergang van Curaçao. Portugese joden emigreerden naar nabijgelegen eilanden, naar Noord-Amerika en naar landen als Venezuela en Colombia. Halverwege de negentiende eeuw begon de handel weer aan te trekken. Met de vestiging van Shell in 1916 kwam de welvaart terug op Curaçao. Ook joodse immigranten uit Oost-Europa, die zich vanaf de jaren twintig op het eiland vestigden, droegen aan de welvaart bij.

jck cariben
Aanzicht van Curaçao. Rechts bij nr. 12 is de gevel van de synagoge te zien.
Anoniem, aquarel, 1781 Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam
jck cariben
Nieuwe Afteekening van het Eyland Curaçao vertoonende alle desselfs geleegentheden mitsgaders de haven van St. Anna en ’t Fort Amsterdam int grood, als ook hoe sig dit Eyland uyt der zee vertoont.
Gerard van Keulen, ingekleurde gravure, Amsterdam, ca. 1715 Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam
jck
Tabak afkomstig uit de NoordAmerikaanse staat Virginia, die via de Cariben naar Amsterdam werd verscheept.
Strengen tabak, 1748 Bureau Monumenten & Archeologie, Amsterdam
jck cariben
Curaçao was dé doorvoerhaven voor handelsproducten uit het Caribisch gebied, Noord- en Zuid-Amerika en Nederland. Cacao kwam uit Venezuela, toen de grootste cacaoproducent ter wereld, tabak uit onder meer Santo Domingo en Martinique, suiker, koffie en indigo uit de Franse koloniën. Uit Colombia en Brazilië kwamen verschillende houtsoorten, zoals roodhout, ook Brazielhout genoemd, dat werd vermalen tot verfstof. Vanuit Nederland gingen onder meer stoffen en jenever naar de Nieuwe Wereld.
Cacaobonen, koffiebonen en roodhout
jck
In 1766 stuurde Aron Jesurun & Zonen negen kisten, vier vaten, een pakje en twee grafzerken aan Jozef de Curiel van de Portugees-joodse gemeente op Curaçao.
Vrachtbrief, Amsterdam, 1766. Stadsarchief Amsterdam

 

Handel en scheepvaart

In de eerste helft van de negentiende eeuw openden Venezuela en Colombia, na hun onafhankelijkheid van Spanje, hun markten voor handel uit Nederlandse gebieden. Portugees-joodse kooplieden van Curaçao vestigden zich onder meer in de Venezolaanse kustplaats Coro. De uitbreiding van het handelsnetwerk kwam de welvaart van Curaçao ten goede, evenals de introductie van het snelle en efficiënte stoomschip. Enkele Portugees-joodse kooplieden waren tevens reders en zij namen stoomschepen op in hun vloot.

In de twintigste eeuw nam het aantal winkels van Portugese joden in de wijk Punda in Willemstad toe. Al in 1930 bezaten zij zeventien van de drieëndertig winkels in de Heerenstraat, destijds de belangrijkste winkelstraat. De joodse immigranten uit Centraal- en Oost-Europa openden in die tijd ook winkels in het stadscentrum. Vanaf de jaren zestig profiteerde Curaçao van het cruisetoerisme. Het eiland werd hét centrum om te winkelen in de Cariben.

JCK
Portret van Salomon Elias Levy Maduro (1814-1883), oprichter van S.E.L. Maduro & Sons. Salomon opende in 1837 een winkel in de Heerenstraat, waar hij onder meer textiel, wijn, hooi en dakpannen verkocht. De eerste goederen importeerde hij uit de belastingvrije haven van St. Thomas. In 1874 nam hij zijn twee oudste zoons op in de firma en ontstond S.E.L. Maduro & Sons. Het bedrijf kreeg een belangrijk aandeel in het scheepvaartverkeer en de ontwikkeling van de haven.
Olieverf op doek, Curaçao, ca. 1885. Maduro Holding Ltd., Curaçao
jck cariben
De scheepswerven van S.E.L. Maduro & Sons. Foto: Soublette et Fils, 1910-1915
Nationaal Museum van Wereldculturen, Tropenmuseum, Amsterdam
jck cariben
Deze familiestamboom weerspiegelt een migratiepatroon dat representatief is voor de Portugese joden van Curaçao die aan het begin van de negentiende eeuw emigreerden naar nabijgelegen eilanden. Halverwege de negentiende eeuw trok de economie op Curaçao weer aan en keerden verschillende families terug naar Curaçao. Jacob Levy Maduro werd in 1829 geboren op St. Thomas, zijn vrouw in 1827 op Jamaica en vier van hun vijf kinderen op Curaçao.
Stamboom van de familie Maduro, Curaçao, na 1859. Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag, Collectie Maduro
jck
De familie Maduro gefotografeerd ter gelegenheid van de 72ste verjaardag van Rebecca Curiel (1832-1922), weduwe van S.E.L. Maduro, op het terras van Cerro Bonito, het huis dat S.E.L. had laten bouwen aan het Concordiaplein (nu Julianaplein).
1902. Maduro Holding Ltd., Curaçao
jck
Maduro’s Bank werd opgericht in 1916, toen de vestiging van Shell welvaart op het eiland bracht en de behoefte aan bancaire diensten groeide. Voor de toonbank staat de toenmalige directeur, Rim Maduro. Na de fusie met de Curiel’s Bank werd de Maduro & Curiel’s Bank na Shell de grootste particuliere werkgever. De bank heeft nu vestigingen op alle zes de eilanden van de voormalige Nederlandse Antillen.
1916-1932. Nationaal Archief Curaçao

 

jck
In de Heerenstraat en Breedestraat in Punda bevonden zich de Portugees-joodse winkels La Moda, Botica Excelsior, El Louvre en El Globo; de Asjkenazische winkels waren The Oriental Store, Casa Cohen en Spritzer & Fuhrmann. Tegenwoordig zijn de winkels eigendom van Hindoestaanse Indiërs, landskinderen en Europeanen.
Vóór 1969. Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/Ewing Galloway
jck
Het Penhapand, gebouwd in 1708, dankt zijn naam aan Julius Lopez Penha sr. (1855-1934), die er in 1871 zijn bedrijf vestigde. Hij handelde aanvankelijk in mais, later in windmolens, ijzerwaren en machineonderdelen. In 1934 nam zoon Julius het bedrijf over, dat inmiddels handelsvertegenwoordiger was van veel parfummerken. Na het overlijden van Julius jr. in 1950 bouwde zijn schoonzoon de winkel uit tot een van de grootste parfumerieketens in het Caribisch gebied.
Foto: Willem van de Poll, 1947. Nationaal Archief, Den Haag
jck
Dit type poppen, ‘popchi Globo’ genoemd, was in de jaren twintig geliefd bij de gegoede families van Curaçao. Ze werden verkocht in de Heerenstraat bij de winkel El Globo, de bedrijfsnaam van Delvalle Hermanos & Co. Deze firma was in 1896 opgericht door Benjamin en Joshua Delvalle, twee joodse broers afkomstig uit St. Thomas. De winkel verkocht aanvankelijk stoffen en was later gespecialiseerd in fotoapparatuur. El Globo was als enige zaak op sjabbat gesloten.
Ca. 1925. Particuliere collectie
jck
Edgar Senior en Isaac Haim Mendes Chumaceiro richtten in 1896 distilleerderij Senior & Co. op, waar zij op basis van een familierecept van Mendes Chumaceiro Curaçao-likeur begonnen te distilleren. Deze wordt gemaakt van de larahasinaasappel, een vrucht van Curaçaose bodem.
Proefflesjes Curaçaolikeur, 2013. Joods Historisch Museum, Amsterdam

 

De gemeente Mikvé Israel

In 1659 verleende de WIC godsdienstvrijheid aan een groep nieuwe kolonisten. De gemeente Mikvé Israel die zij stichtten, beschouwde zich als een afdeling van de Portugees-joodse gemeente van Amsterdam en accepteerde haar gezag. Mikvé Israel nam de organisatievorm en reglementen van de Amsterdamse gemeente over en beide gemeenten werkten samen op het gebied van de sociale zorg. Rabbijnen die aan het seminarium Ets Haim in Amsterdam waren opgeleid, gaven op Curaçao de Amsterdamse tradities door. Voor het interieur van de synagoge stond de Amsterdamse synagoge model. Mikvé Israel bloeide, genoot groot aanzien en ondersteunde andere Sefardische gemeenten in de Nieuwe Wereld.

Evenals de joodse gemeenten in Nederland onderging Mikvé Israel in de negentiende eeuw een aantal ingrijpende veranderingen. Zo werden in 1825 de joden in de Nederlandse koloniën gelijkgesteld aan andere Nederlandse burgers. Daarmee verloor de joodse gemeente haar eeuwenoude privileges, zoals zelfbestuur. Ook waren er steeds meer joden die de naleving van de joodse wetten en rituelen wilden aanpassen aan de moderne tijd. Dit zogeheten Reformjodendom drong ook door op Curaçao en bracht verdeeldheid. In 1864 splitsten de hervormingsgezinde leden zich uiteindelijk af van de orthodoxe gemeente en stichtten de gemeente Emanu- El, met een eigen synagoge, Tempel Emanu- El.

jck
De Snoa, zoals de synagoge van Mikvé Israel in de stadswijk Punda wordt genoemd, werd op 10 april 1732 ingewijd. In tegenstelling tot het interieur van de synagoge vertoont het exterieur geen gelijkenis met dat van de Portugese synagoge in Amsterdam. De architectuur is typerend voor de plaatselijke bouwstijl en methode.
Foto: Wyatt Gallery, 2013
jck
Joods huwelijkscontract in het Portugees van Elias Jesurun Henriquez (18201881) en Deborah Dovale (1821-1884).
Curaçao, 1847. Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag, Collectie Maduro
jck
Aron Mendes Chumaceiro (1810-1882) volgde een opleiding aan het Amsterdamse Ets Haim en werd in 1856 rabbijn van Mikvé Israel op Curaçao. De gemeente was veertig jaar zonder rabbijn geweest, zonder degelijk joods onderwijs en zonder rabbinale rechtbank. Mendes Chumaceiro bracht daarin verandering. Hij was een begenadigd redenaar en de laatste die preken hield in het Portugees. Mendes Chumaceiro keerde in 1869 terug naar Nederland.
B.T. van Loo naar I.N. Torres, litho, 1864. Bibliotheca Rosenthaliana, Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam
jck
Rabbijn Aron Mendes Chumaceiro bracht in 1858 een bezoek aan de Deense kolonie St. Thomas. Als teken van respect en eerbied ontving hij van zijn geloofsgenoten deze schaal met inscriptie. De joodse gemeente van St. Thomas was tussen 1790 en 1800 uit gegroeid tot een gemeenschap van over wegend immigranten uit Curaçao.
Zilveren schaal, 1858. Gemeente Mikvé IsraelEmanuel en Joods Historisch Cultureel Museum, Curaçao
jck
De synagoge Tempel Emanu-El op het Wilhelminaplein (links) werd in 1867 door de Nederlands Hervormde Israëlitische Gemeente Emanu-El in gebruik genomen. De laatste dienst vond plaats in 1963, toen de gemeente zich herenigde met de gemeente Mikvé Israel. Rechts van de tempel bevonden zich de vrijmetselaarsloge De Vergenoeging en het stadhuis van Curaçao.
Nationaal Museum van Wereldculturen, Tropenmuseum, Amsterdam
jck
Joods huwelijkscontract van het in Tempel Emanu-El voltrokken huwelijk tussen Joseph Gomes Casseres en Rachel Pereira Brandao. Opvallend is dat dit contract in de Spaanse taal is opgesteld, terwijl dergelijke overeenkomsten traditioneel in het Hebreeuws of Aramees geschreven worden.
Curaçao, 17 december 1873. Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag, Collectie Maduro

 

Joode Quartier, Punda en chic Scharloo

De Portugese joden vestigden zich in 1659 in het Joode Quartier, een gebied ten noorden van het Schottegat, de natuurlijke haven van Curaçao. Daar hadden zij hun synagoge en begraafplaats. De Portugese joden bezaten vanaf het begin ook kleine plantages. Hier lieten zij tot slaaf gemaakten gewassen verbouwen, bedoeld voor plaatselijke en regionale consumptie. De joodse kooplieden en hun gezinnen vestigden zich later in de stadswijk Punda, het handelscentrum. Zij woonden daar boven hun winkels, die pakus (pakhuis) werden genoemd.

Na een periode van economische neergang nam vanaf de jaren 1850 de welvaart op het eiland weer toe. De handel floreerde en de Portugees-joodse families pasten hun levensstandaard aan: zij lieten voorname huizen bouwen in Scharloo, dat een joodse stadswijk werd. De joden vormden een hechte gemeenschap. Ze waren verwant door onderlinge huwelijken, nodigden elkaar uit voor feesten en partijen en zagen elkaar in dezelfde clubs. Vanaf de jaren 1960 trokken de joodse families weg uit Scharloo. Het onderhoud van de huizen was te duur geworden en huishoudelijk personeel was nog maar moeilijk te vinden.

jck cariben
Scharloo, hier op de voorgrond, was in de zeventiende eeuw een plantage, die ongeschikt bleek voor landbouw. Sinds de aanleg van kades vonden er handels activiteiten plaats en werden er huizen gebouwd. Vanaf 1870 bouwde de joodse handelselite van Punda er majestueuze villa’s. Aanvankelijk werd de zuidzijde van Scharloo volgebouwd. Op deze foto is de noordzijde van Scharloo nog leeg. In de verte, aan de overzijde van het Waaigat is Tempel Emanu-El (met torentje) te zien.
1890-1920. Nationaal Museum van Wereldculturen, Tropenmuseum, Amsterdam
jck
Jossy Maduro en Rebecca Curiel in de binnengalerij van de patio van hun huis aan de Scharlooweg 55. Klassieke en Spaanse bouwinvloeden, resulterend in patio’s, galerijen, horizontale façades en zuilen, waren kenmerkend voor de huizen in Scharloo. Een gedeelte van de patio werd gebruikt als zit- of eethoek, het andere deel alleen bij feesten.
1952. Nationaal Museum van Wereldculturen, Tropenmuseum, Amsterdam
jck cariben
De sala (zitkamer) was het toneel van de vele feesten en partijen die de Sefardische joden in Scharloo organiseerden. Deze sala, nog in originele staat, bevindt zich in het huis op Scharlooweg 7.
Foto: Sinaya Wolfert, 2010

 

jck
Bijna elke welgestelde familie had een of meer yaya’s, een kindermeisje, veelal van Afro-Curaçaose afkomst en katholiek. Ze woonde intern en had een belangrijk aandeel in de opvoeding. Yaya’s leerden de kinderen Papiaments en vertelden volksverhalen, zoals die over Anansi, de slimme spin. Ena Maduro (geboren 1920), hier met haar yaya Lala, beschouwde haar yaya als een tweede moeder en heeft tot aan Lala’s dood voor haar gezorgd.
Ca. 1923. Ena DankmeijerMaduro
jck
Programma van het Poeriembal van de Young Men’s Hebrew Association. Deze vereniging werd in 1889 opgericht door rabbijn Joseph Haim Mendes Chumaceiro. Doel van de vereniging was het bijeenhouden van de jongeren door hen op te voeden in de joodse geest. Er werden literaire bijeenkomsten gehouden bij de leden thuis, er werd toneelgespeeld, een krant uitgegeven en openbare concerten en bals georganiseerd.
5 maart 1890. Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag, Collectie Maduro
jck
Bladmuziek met compositie van Charles Maduro. Charles was zakenman, musicus en componist. Hij componeerde vele liederen, waaronder ‘Rapsodia Espanola’ dat werd uitgevoerd in Carnegie Hall in New York. Ook zijn ‘Wals Curaçao’ en ‘Mars Wilhelmina’ zijn bekend geworden.
Ca. 1930. S.A.L. (Mongui) Maduro Foundation, Curaçao
jck
Aankondiging van een literaire en muzikale avond van Club Entre- Nous in Teatro Naar ter gelegenheid van de verjaardag van koningin Wilhelmina, met op het programma onder meer de populaire ‘Marche Wilhelmina’ van Charles Maduro. Club Entre- Nous was een filantropische damesclub, in 1895 opgericht door Rebecca Cohen Henriquez (18641935) en veertien andere vrouwen, die allen, op één na, joods waren. Met de opbrengsten van theatervoorstellingen verzorgden zij voedselpakketten voor arme gezinnen.
Curaçao, 30 augustus 1896. Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag, Collectie Maduro

 

Veranderingen in de twintigste eeuw

Van oudsher was de joodse gemeenschap op Curaçao Sefardisch. Pas in 1926 arriveerden de eerste Asjkenazische joden uit OostEuropa, op de vlucht voor armoede en vervolging. Ze spraken Jiddisj en hadden een traditioneel religieuze achtergrond.

Sommige verkochten als marskramer goederen van Sefardische groothandelaren. Andere vonden een baan bij olieraffinaderij Shell. De Asjkenazische joden klommen snel op. Vanaf de jaren dertig openden zij zaken in Punda, waar ook de Portugese joden winkels hadden. Het sociale contact tussen beide groepen werd intenser, maar de Asjkenazische joden hadden hun eigen gemeente, Sha’arei Tsedek.

De Sefardische gemeente onderging opnieuw ingrijpende veranderingen. Door een slinkend ledenaantal als gevolg van emigratie, fuseerden de twee Sefardische gemeenten in 1964 tot de gemeente Mikvé Israel- Emanuel. Deze zocht aansluiting bij de Wereldunie van Progressief Jodendom en brak daarmee met het orthodoxe jodendom. Ook in maatschappelijk opzicht werd het leven anders. Grote ontevredenheid over sociale ongelijkheid leidde in 1969 op Curaçao tot een gewelddadige arbeidersopstand, gericht tegen de gevestigde orde, waarbij zowel joodse als niet joodse winkels werden geplunderd. De opstand leidde tot politieke en sociale verschuivingen en bij de elite tot het besef dat de oude manier van leven definitief voorbij was. Voor een aantal van hen, onder wie ook Asjkenazische joden, vormde de opstand aanleiding om naar Amerika en Nederland te emigreren.

De Sefardische gemeenschap heeft ook nu nog een prominente plaats in de Curaçaose maatschappij. Mikvé Israel- Emanuel heeft circa 150 leden en houdt wekelijks diensten in de Snoa, het symbool van een roemrijk verleden.

jck
Tussen 1930 en 1949 hadden de Asjkenazische joden een synagoge op een gehuurde verdieping van een woonhuis aan de Bargestraat aan de rand van Scharloo. Daarna werden de diensten gehouden aan de Scharlooweg, eerst bij hun vereniging Club Union en daarna in het aangrenzende huis, dat na aankoop en verbouwing in februari 1959 als synagoge werd ingewijd. In 1958 werd de gemeente Sha’arei Tsedek officieel opgericht, die in 2006 een nieuwe synagoge in gebruik nam in de stadswijk Mahaai.
Leden van Club Union in de synagoge aan de Bargestraat, vóór 1949. Isaac en Lily Kisilevich-Bonaparte
jck
Chaim Kisilevich uit Noua Suliță (in het huidige Oekraïne) kocht met geld van zijn eerste baan deze kiosk aan de Handelskade in Willemstad. Hij verkocht er sigaretten en limonade. Toen de zaken goed gingen, opende hij een herenkledingzaak, La Buena Ventura, in de Madurostraat in Punda.
Ca. 1932. Isaac Kisilevich
jck
Interieur van het gerenommeerde warenhuis Spritzer & Fuhrmann in de Breedestraat in Punda. Het bedrijf, opgericht door Wolf Spritzer en Charles Fuhrmann, verkocht onder meer horloges, juwelen, kristal, zilver, porselein en andere luxe cadeau-artikelen. Mede als gevolg van de devaluatie van de Venezolaanse bolivar in 1985 moest het bedrijf zijn deuren in 1990 sluiten.
1960- 1970. Ralph Spritzer
jck
Tijdens de opstand van 30 mei 1969 moesten veel winkels in de wijken Otrobanda en Punda het ontgelden. Casa Cohen in de Heerenstraat was een warenhuis waar van alles voor het huis te koop was. Ook de winkel El Globo werd volledig vernield.
30 mei 1969. Nationaal Archief/Spaarnestad. Photo/Fotograaf onbekend

 

Suriname

jck suriname

Joden in Suriname

De Engelse kolonie Suriname ging in 1667 over in Nederlandse handen. De rechten van de Portugese joden werden door de Nederlanders verder uitgebreid. Zo hadden joden het recht hun godsdienst openlijk te belijden en te trouwen volgens de joodse wet. Zij hadden een eigen systeem van rechtspraak, een burgerwacht, en mochten meestemmen over benoemingen in het koloniaal bestuur.

Het centrum van de Portugees-joodse gemeenschap was Jodensavanne. Dit dorp lag aan de Suriname-rivier, evenals de suikerplantages van de Portugese joden. De suikerteelt, die hun aanzienlijke welvaart bracht, werd verricht door tot slaaf gemaakten. Na een bloeiperiode stortte in 1772 de plantage-economie in. De planters verhuisden naar Paramaribo, een stad met een gemengde bevolking.

Zo woonden er Asjkenazische joden die zich er ook vanuit Amsterdam gevestigd hadden, tot slaaf gemaakten en vrijgemaakte zwarte en gekleurde mensen, die de witte mensen in aantal spoedig ver overtroffen. Vermenging van zwart en wit had verregaande gevolgen voor de samenstelling en leefregels van de joodse gemeenschap.

In 1825 kregen de joden dezelfde rechten als de overige Nederlanders in de kolonie. De joodse gemeenten vielen nu formeel onder de Nederlandse staat. In diezelfde periode raakten deze gaandeweg verder verwijderd van het traditionele jodendom. Pogingen vanuit joods Nederland om deze ontwikkeling te stoppen, bleken weinig succesvol. Ondanks het vertrek van het merendeel van de joodse bevolking, in de twintigste eeuw, bestaat er nog altijd een joodse gemeente.

jck cariben
In Suriname ging nagenoeg al het vervoer over water. De tentboten van de planters werden voortgeroeid door tot slaaf gemaakten. De welvaart van een planter was af te lezen aan de versiering van zijn tentboot.
Model van een tentboot, gemaakt vóór 1926. Nationaal Museum van Wereldculturen, Tropenmuseum, Amsterdam
jck
Suikerplantage met een suikerfabriek (derde gebouw van rechts) waar het riet met behulp van een watermolen werd gekraakt en geperst. De afwatering van de rivier werd gereguleerd met sluizen (midden). Het uitgemalen riet (tras, de brandstof voor het kookhuis), werd opgeslagen in loodsen (achter de fabriek). De gekookte en ingedikte suiker werd opgeslagen in vaten die vervaardigd werden in de kuiperij (tweede gebouw van rechts). Links zijn de huizen van de opzichters en het plantershuis, rechts ervan het dorp voor circa 300 tot slaaf gemaakten.
Diorama van suikerplantage Visserszorg in de eerste helft van de 19de eeuw, gemaakt vóór 1900. Nationaal Museum van Wereldculturen, Tropenmuseum, Amsterdam
jck
Dit is een van de vroegste afbeeldingen van tot slaaf gemaakten die werken in de suikerrietteelt. Een opzichter met een zweep houdt toezicht. De illustratie komt uit een boek dat een uitvoerige beschrijving geeft van de intensieve suikerrietteelt en het zware werk dat tot slaaf gemaakten daarbij moesten verrichten.
Thomas Pistorius, Korte en zakelijke beschrijvinge van de Colonie van Zuriname, Amsterdam, 1763. Kenneth Boumann
jck
Deze kaart brengt met grote nauwkeurigheid de ligging, namen, eigenaren en grootte van de plantages in beeld. De plantages van de Portugese joden lagen langs de Suriname-rivier. Hun namen zijn linksonder en rechts vermeld. Nr. 47 verwijst naar Jodensavanne. Alexander de Lavaux maakte deze kaart in opdracht van de Sociëteit van Suriname, de juridische eigenaar van de kolonie. Vanwege het toenemend verzet van de marrons – tot slaaf gemaakten die van de plantages waren gevlucht – ontstond een grote behoefte aan geactualiseerde kaarten waarop schuilplaatsen in het oerwoud werden aangegeven.
Alexander de Lavaux, Algemeene kaart van de Colonie of Provintie van Suriname, ingekleurde gravure, Amsterdam, 1758. Kenneth Boumann
cariben
Zicht op de synagoge van Jodensavanne met op de voorgrond het Cordonpad en de begraafplaats. De Portugese joden die woonden langs de Suriname-rivier hadden twee begraafplaatsen in gebruik. De oudste, Cassipora, bevond zich op twee kilometer afstand van Jodensavanne, nabij de vestigingsplaats van de eerste kolonisten. In Jodensavanne werd eveneens een begraafplaats aangelegd.
G.W.C. Voorduin, aquarel, 1860. Rijksmuseum, Amsterdam
jck
Samen met het koloniaal gezag organiseerden de planters militaire expedities tegen de marrons. Portugese joden namen hieraan deel, maar hadden ook hun eigen autonome burgerwacht. Hier achtervolgen soldaten, burgers, indianen en tot slaaf gemaakte marrons door de moerassen van het onbegaanbare oerwoud. Deze schieten vanuit de palmbomen op de voorbijtrekkende schare. De marrons bemachtigden wapens bij de plunderingen van de plantages. De afbeelding staat in een boek van een auteur die zelf deelnam aan de veldtochten tegen de Boni-marrons tussen 1773 en 1777.
Met de hand ingekleurde gravure in: John Gabriel Stedman, The Narrative of a Five Years’ Expedition against the Revolted Negroes of Surinam, Londen, 1806. Edwin van Drecht
jck
Post Jodensavanne doorkruiste een hoek van Jodensavanne en vormde het begin van het Cordonpad. Deze weg met militaire posten liep tot aan de kust en was 94 km lang en 10 meter breed. Hij werd tussen 1774 en 1778 aangelegd door tot slaaf gemaakten om bescherming te bieden tegen marronaanvallen, die een serieuze bedreiging vormden voor de plantage-economie.
Post Gelderland en Joden Savannah, ingekleurde litho naar een tekening van G.W.C. Voorduin, 1860-1862. Joods Historisch Museum, Amsterdam

 

jck
De Portugees-joodse planters die na de crisis van 1772 naar Paramaribo waren verhuisd, verdienden de kost in de detailhandel of in ambachten, net als hun Asjkenazische geloofsgenoten. Isaac Abraham Levy Aron, hier in zijn winkel in Paramaribo, verkocht levensmiddelen, zoals Hollandse kaas, andere dagelijkse artikelen en kinderspeelgoed en sieraden.
Met de hand ingekleurde litho in: Pierre Jacques Benoit, Voyage à Surinam, Brussel, 1839. Carl Haarnack, Buku - Bibliotheca Surinamica
jcj
Watermolenstraat, hoek Grote Hofstraat, met rechts de Java Store van de familie De la Fuente, die fijne eetwaren, dranken, chocolade en suikerwerken verkocht.
Ca. 1920. Stichting Surinaams Museum, Paramaribo
jck
Deze Asjkenazische stoffenverkopers maken het volgende praatje: ‘Hoe gaat het met de zaken? Slechte en sjovele negotie in de katoentjes? Wat zal ik zeggen, de hernhuttesche leerimans [zendelingen] zijn de enige die er sjabbes in maken [goede zaken in doen].’
W.E.H. Winkels, Manufacturiers bij den weg, gouache, Suriname, 1870. Stichting Surinaams Museum, Paramaribo
jck
Op deze plattegrond van Paramaribo duidt de letter ‘l’ de synagoge aan.
Elias Spanier, Plan van Paramaribo, hoofdstad van Suriname, uit: C.A. van Sijpesteijn, Beschrijving van Suriname, ’s-Gravenhage, 1850. Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam
jck
Na 1825 kwamen gaandeweg hogere overheidsfuncties beschikbaar voor joden. Een aantal van hen werd benoemd tot lid van de Koloniale Raad, het hoogste adviesorgaan van de gouverneur, of tot rechter. Er waren ook joodse artsen, apothekers en advocaten. Deze groepsfoto van de Geneeskundige Commissie van ’s Lands Hospitaal is genomen ter gelegenheid van het afscheid van apotheker Abraham Philip Samson (zittend, midden). De Commissie was onder meer belast met overheidstoezicht op de volksgezondheid en de keuring van landsdienaren bij de toelating tot overheidsdienst.
December 1943. Stichting Surinaams Museum, Paramaribo
jck
Apotheek De la Parra in de Zwartenhovenbrugstraat. In 2012 brandde het 130 jaar oude pand volledig af.
Foto: Michel Janssen, 2005
jck
Venter van Coca-Cola met koelwagentje in Paramaribo. In 1918 richtten Isaak en Jule Fernandes I. Fernandes & Zn op. Het bedrijf bestond uit een zeepfabriek, een bakkerij en een houtzagerij, en later ook een ijsjesen staafijsfabriek. Het grote succes begon na het verkrijgen van het alleenrecht om Coca-Cola te produceren in Suriname en de opening van de Coca-Colafabriek in 1939. In 1944, toen Amerikaanse soldaten in Suriname gelegerd waren, was de productie inmiddels verdertigvoudigd. Het bedrijf bracht ook zijn eigen limonade op de markt, Fernandes, die ook in Nederland populair is geworden.
Foto: H.A. Wilmar, begin jaren 50. Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/H.A. Wilmar
jck
Blikjes Fernandes limonade.
jck
Jule Fernandes en zijn vrouw Annie bij de opening van de nieuwe frisdrankfabriek. De toegenomen populariteit van Coca-Cola in Suriname en de introductie van het eigen merk Fernandes Limonade in 1943 hadden grootschaliger voorzieningen nodig gemaakt.
1960. Fernandes Bottling, Paramaribo

 

Joodse gemeenten

Jodensavanne vormde het hart van de joodse plantagegemeenschap. Op het centrale plein stond de synagoge van de Portugees-joodse gemeente Beracha VeSalom en vlakbij lag de begraafplaats. In Jodensavanne genoten joden ongekende privileges: ze waren eigenaar van de grond, hadden godsdienstvrijheid, zelfbestuur volgens joods-religieuze en seculiere wetten en kregen toestemming hun tot slaaf gemaakten op zondag te laten werken, in plaats van op zaterdag, de joodse rustdag. De gemeente was georganiseerd naar het model van de Portugees-joodse gemeente in Amsterdam.

De bestuurders waren verantwoordelijk voor rust en orde, hielden toezicht op de handhaving van de joodse wet en gebruiken, en straften overtreders. Na het vertrek van de planters raakte Jodensavanne gaandeweg in verval.

In Paramaribo bevonden zich de Portugees-joodse gemeente Tsedek VeSalom en de Asjkenazische gemeente Neve Salom, met elk een synagoge. De gemengde samenleving in de stad drukte haar stempel op beide gemeenten. In de achttiende eeuw groeide het aantal kinderen dat werd geboren uit relaties tussen joodse mannen en vrije of onvrije zwarte vrouwen. Volgens de joodse wet waren zij niet joods, want ze hadden geen joodse moeder.

Toch konden zij lid worden van de joodse gemeente, zij het niet volwaardig. Zo mochten ze in de synagoge geen rituelen uitvoeren en zaten ze op lage bankjes. Vanaf 1791 had deze groep ongeveer twintig jaar zijn eigen broederschap, Darje Jesariem, met een eigen gebedshuis. In 1841 kregen leden van gemengde komaf gelijke rechten binnen de joodse gemeente. 

jck
Gezicht op Jodensavanne vanaf de Surinamerivier. Jodensavanne was gebouwd in een gebied dat bestond uit weilanden en heuvels, grenzend aan een uitgestrekt regenwoud, op ongeveer 48 kilometer ten zuiden van Paramaribo. Het dorp werd in 1685 opgericht door een groep Portugees-joodse kolonisten en behoorde toe aan de joodse gemeente. De synagoge was het hoogste gebouw van het dorp.
Met de hand ingekleurde litho in: Pierre Jacques Benoit, Voyage à Surinam, Brussel, 1839. Kenneth Boumann
jck
Deze Torarol is in Amsterdam geschreven en vermoedelijk gebruikt in de synagoge van Jodensavanne.
Amsterdam, 18de eeuw. Stichting Surinaams Museum, Paramaribo
jck
Torakroon met de inscripties ‘Semuel Coen Nassi’ in Latijnse en Hebreeuwse letters, en ‘torakroon’ in het Hebreeuws. Samuel Cohen Nassy was een van de leidende figuren in de joodse gemeenschap. In 1682 schonk hij land voor het stichten van Jodensavanne en de bouw van de synagoge Beracha VeSalom. Deze Torakroon met zijn naam was een geschenk aan de synagoge.
Evert van Heerden, zilver, Amsterdam, 1679. The Israel Museum, Jeruzalem, permanent bruikleen van de Israëlitische Gemeente Suriname, Paramaribo
cariben
Torakroon (detail)
Foto: Oded Löbl. The Israel Museum, Jeruzalem, permanent bruikleen van de Israëlitische Gemeente Suriname, Paramaribo
jck
Gezicht op Jodensavanne vanaf het land.
Litho uit: Pierre Jacques Benoit, Voyage à Surinam, Brussel, 1839. Joods Historisch Museum, Amsterdam
jck
Afbeelding van de bron die vlakbij het dorp Jodensavanne gelegen was. Het bruisende water van deze medicinale bron had, naar men zei, helende eigenschappenen en was doeltreffend bij de genezing van malaria en constipatie.
Litho uit: Pierre Jacques Benoit, Voyage à Surinam, Brussel, 1839. Joods Historisch Museum, Amsterdam

 

jcjk
De Portugese synagoge Tsedek VeSalom in de Heerenstraat, met zicht op de teba, de katheder van waaraf de Tora wordt gelezen. De synagoge werd gebouwd in 1736 en werd in 1737 ingewijd. De synagoge vertoonde eenzelfde inrichting als de Portugese synagoge in Amsterdam.
1937. Jewish Historical Museum, Amsterdam, bruikleen S.A. Bruijning
jck
Toramantel met een afbeelding van een Tora-kroon en in het Hebreeuws de tekst ‘Weet voor wie je staat’. De mantel is gebruikt in de Portugese gemeente Tsedek VeSalom in Paramaribo.
20ste eeuw. The Israel Museum, Jeruzalem, permanent bruikleen van de Israëlitische Gemeente Suriname, Paramaribo
jck
Deze siertorens voor op de Torarol zijn lange tijd gebruikt in de synagoge in Paramaribo. Ze werden vervaardigd naar model van de Amsterdamse Westerkerk. Dit soort siertorens wordt ook in Nederlandse synagogen gebruikt.
Hendrik Nieuwenhuys, zilver, Amsterdam, 1784. The Israel Museum, Jeruzalem, permanent bruikleen van de Israëlitische Gemeente Suriname, Paramaribo
jck
De synagoge van de Hoogduitse gemeente Neve Salom in de Keizerstraat, tegenwoordig nog als enige in gebruik. De oorspronkelijke synagoge uit 1723 werd gebouwd op een stuk land van de Portugese joden en werd door zowel Portugese als Hoogduitse joden gebruikt. Onderlinge verschillen leidden tot een scheiding. In 1735 werd het gebouw in de Keizerstraat verkocht aan de Hoogduitse gemeente Neve Salom en begonnen de Portugese joden met de bouw van een eigen synagoge.
Foto: Eugen Klein, vóór 1927. Stichting Surinaams Museum, Paramaribo
jck
Kerkenraad van de Nederlands Israëlietische Gemeente Neve Salom in Paramaribo. De foto is vermoedelijk genomen tijdens het eeuwfeest van de inwijding van de synagoge.
Vermoedelijk 1937. Joods Historisch Museum, Amsterdam, bruikleen S.A. Bruijning
jck
De Portugese (en Hoogduitse) joden maakten onderscheid tussen witte en gekleurde joden. De laatsten waren kinderen van Portugees-joodse witte mannen en zwarte tot slaaf gemaakte vrouwen. In de reglementen wordt voor het eerst expliciet vermeld dat deze mulatten, ‘mulatos’, niet langer worden beschouwd als volwaardige leden, jechidim.
Reglement van de Portugese gemeente Beracha VeSalom, 1754. Stadsarchief Amsterdam
jck
Gekleurde joden werden beperkt in het uitvoeren van rituelen in de synagoge. Daarom vestigden zij in 1791, met de financiële en morele steun van volwaardige leden, de broederschap Darhe Jesarim, die korte tijd een eigen gebedshuis had. Tegen 1794 stond het gebouw te koop en kort na 1804 werd het gesloopt. De gemeentegrond waarop het stond, is nu nog bekend als het Sivaplein, naar het Portugees-Hebreeuwse woord voor ‘broederschap’. In deze advertentie wordt naar het gebedshuis verwezen.
Surinaamsche Courant, 15 augustus 1804

 

Van twee gemeenten naar één

In de eerste helft van de negentiende eeuw hadden de gemeenten geen rabbijn en werden de religieuze wetten niet altijd strikt nageleefd. Zo werden de spijswetten veronachtzaamd en konden ook niet-joden toegelaten worden tot de gemeente. Rabbijnen en godsdienstleraren uit Nederland brachten het traditionele jodendom weliswaar terug in Suriname, maar konden de twintigste-eeuwse neergang van de gemeente niet keren.

Door assimilatie en door emigratie verminderde het ledental van de gemeente drastisch. Vanaf de jaren veertig hielden de Asjkenazische en Portugees-joodse gemeenten gezamenlijk diensten en in 1999 fuseerden zij tot de Israëlitische Gemeente Suriname. In 2004 gaf de gemeente haar orthodoxe signatuur op en sloot zij zich aan bij de Wereldunie van Progressief Jodendom. Tegenwoordig heeft de gemeente nog 150 leden.

jck
In 1857 werd de jonge Mozes Juda Lewenstein (1829-1864) benoemd tot opperrabbijn van de Portugees-joodse en Asjkenazische gemeenten in Paramaribo. De naar Nederlandse maatstaven vooruitstrevende Lewenstein bleek in Suriname ver verwijderd van de Surinaams-joodse liberale geest. Lewenstein verzette zich heftig tegen de door de gemeenten gewenste religieuze hervormingen.
S. Lankhout, litho, 1850-1860. Bibliotheca Rosenthaliana, Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam
jck
Rabbijn Jacob Samuel Roos kwam in 1893 aan in Suriname. De gemeente was lange tijd zonder rabbijn geweest en had grote behoefte aan een nieuwe religieuze leider. Roos was een groot redenaar, een ritueel besnijder en ritueel slachter en medeoprichter van de begrafenisvereniging Chesed WeEmet.
Pastel, datering onbekend. Israëlitische Gemeente Suriname, Paramaribo
jck
Van oudsher waren de joodse gemeenten zelf verantwoordelijk voor de sociale zorg van hun leden. Daartoe werden verschillende verenigingen opgericht. De damesvereniging Chesed WeEmet uit 1899 vierde in 1924 haar 250-jarig bestaan. Achter de tafel met het bestuur hangt het portret van rabbijn Roos, die het verenigingsreglement opstelde. De leden verichtten uitsluitend werkzaamheden voor overleden vrouwen van beide joodse gemeenten. Wegens het teruglopend ledental fuseerde de vereniging uiteindelijk met haar mannelijke tegenhanger Gemiloet Chassadiem.
1924. Israëlitische Gemeente Suriname, Paramaribo
jck
Deze zogenaamde ‘appelketel’ met de initialen van Gemiloet Chasssadim werd gebruikt door deze begrafenisvereniging. Deze is tegenwoordig nog actief. De leden begeleiden de stervende, wassen het lichaam van de overledene en naaien de doodskleding volgens oude traditie.
Ca. 1900. Stichting Surinaams Museum, Paramaribo
jck
De jeugdvereniging Tikwat Jisrael werd in 1933 opgericht om de joodse jeugd zo veel mogelijk bij elkaar te houden en het joodse gevoel op te wekken door het organiseren van leerzame bijenkomsten, lezingen en revues. Wegens gebrek aan belangstelling en vertrek van vele leden naar het buitenland werd de vereniging in 1943 ontbonden.
Tikwat Jisrael, 1933-1943. Carmen Jessurun-Robles
jck joden in de cariben joods
In 1939 verscheen het eerste nummer van het maandblad Teroenga (Hebreeuws voor bazuingeschal). Het blad, dat bedoeld was voor de joodse gemeenten in Suriname, bevat stukken over geschiedenis, religie en folklore. Als gevolg van massale emigratie hield het maandblad op te bestaan: het laatste nummer verscheen in 1969.
Maandblad Teroenga, september 1940. Joyce Suissa-Emanuels

 

Contacten op de plantage

Plantersfamilies en hun tot slaaf gemaakten vormden een tamelijk geïsoleerde gemeenschap. Vanaf de plantages aan de Suriname-rivier was het naar Paramaribo gemiddeld een dag reizen. Op de plantage waren er op elke witte gemiddeld 65 tot slaaf gemaakten.

De plantage-eigenaar had macht over zijn tot slaaf gemaakten, en zijn karakter en houding bepaalden hun lot. Ondanks de grote afstand tussen meester en tot slaaf gemaakte waren ze toch op elkaar aangewezen. Zij hadden dagelijks contact en namen soms specifieke cultuuruitingen van elkaar over. Zo spraken de tot slaaf gemaakten op de plantages van de Portugese joden djoe tongo, een variant van de taal sranan tongo, waarin naast Engelse, Nederlandse en West-Afrikaanse woorden ook veel Portugees voorkwam.

jck
De eigenaar kon zijn tot slaaf gemaakten op verschillende manieren straffen. Deze vrouw is vastgebonden en geslagen met een zweep. De verbittering van de tot slaaf gemaakten vergrootte de kans op een opstand van tot slaaf gemaakten. Alhoewel planters de angst bij hun tot slaaf gemaakten door middel van straffen in stand wilden houden, kwam er steeds meer regulering. Sinds 1686 was het verboden tot slaaf gemaakten te doden en vanaf 1759 was 80 het maximaal toegestane aantal zweepslagen.
Met de hand ingekleurde gravure uit: John Gabriel Stedman, The Narrative of a Five Years’ Expedition against the Revolted Negroes of Surinam, Londen, 1806. Edwin van Drecht
jck
In een tot slaaf gemaaktenmaatschappij werden tot slaaf gemaakten beschouwd als waardevolle goederen. Zij werden, evenals andere goederen, opgenomen in de bruidsschat, zoals hier in deze Amsterdamse notariële akte van het huwelijkscontract tussen Ishaque Soares Baretto en Rachel Drago. De bruidsschat bestaat onder meer uit twaalf bekwame ‘[tot slaaf gemaakten]’ à 220 gulden per stuk en twaalf ‘koebeesten’, elk 120 gulden, nagelaten aan de bruid door Samuel Cohen Nassy, haar oom in Suriname.
Notariële akte, Amsterdam, 30 september 1701. Stadsarchief Amsterdam
jck
Jacob Raphael de Meza plaatste een oproep in de krant om uit te kijken naar zijn weggelopen, gebrandmerkte tot slaaf gemaakten. Een van hen was gebrandmerkt met De Meza’s initialen: I.R.D.M. Het brandmerken van tot slaaf gemaakten was de gebruikelijke praktijk.
Surinaamsche Courant, 28 november 1804
jck
Op de plantages van Portugees-joodse planters en hun gezinnen spraken de tot slaaf gemaakten djoe tongo (Jew-taal). De taal, het Saramaccaans, wordt nog steeds gesproken door de afstammelingen van marrons die zich vestigden dicht bij de Saramacca-rivier en de bovenloop van de Surinamerivier.
H. Lotze, ‘Die “Djoe-tongo” oder Judensprache in Suriname’, in: Zeitschrift der Deutschen morgenländischen Gesellschaft, 1857. Carl Haarnack, collectie Buku – Bibliotheca Surinamica
jck
Marrondorp langs de Saramacca-rivier, bewoond door afstammelingen van gevluchte tot slaaf gemaakten.
Foto: Théodore van Lelyveld, 18 oktober 1895. Rijksmuseum, Amsterdam

 

Vermenging in de stad

Na hun verhuizing van de plantages naar de gemengde samenleving van Paramaribo leefden de nu verarmde Portugese joden zij aan zij met de vrijgemaakte zwarte en gekleurde bevolking. Door informele contacten, zoals in winkels en tijdens het werk, werden de sociale en culturele verschillen kleiner.

Door gemengde relaties veranderde ook de samenstelling van de joodse gemeenschap. In het georganiseerde sociale leven bleven de groepen evenwel gescheiden. Lidmaatschap van clubs, zoals de vrijmetselarij en culturele genootschappen, stond alleen open voor witte mensen. Na de afschaffing van de slavernij in 1863 werd het onderscheid tussen vrijen en onvrijen formeel opgeheven en verdween geleidelijk het verschil tussen wit en zwart. In de gemengde samenleving gingen de Surinaamse joden zich steeds meer joodse Surinamers voelen.

jck joden in de cariben
Na de afschaffing van de slavernij in 1863 betaalde de overheid aan tot slaaf gemaakten-eigenaren voor elke vrijgelaten slaaf een bedrag als compensatie. Deze wisselbrief gold als bewijs van het aantal vrijgelaten tot slaaf gemaakten en gaf de voormalige eigenaar recht op betaling door de overheid.
Wisselbrief, Suriname, 1863. Kenneth Boumann
jck
Vrijlatingsbrief, in 1860 uitgegeven door de gouverneur van Suriname op aanvraag van I. da Silva voor het tot slaaf gemaakte meisje Lina, toen één jaar oud. Zij was in 1859 geboren als dochter van Adolphina. Zoals vermeld in de brief kreeg zij de naam Lina Julia Vasilda. Bij het kiezen van een achternaam werd vaak de achternaam van de eigenaar omgedraaid.
Vrijlatingsbrief, Suriname, 19 maart 1860. Nationaal Museum van Wereldculturen, Tropenmuseum, Amsterdam
jck
Aan de Waterkant in Paramaribo woonden vooraanstaande burgers. Een aantal van hen was joods, zoals de erve Polak (nr. 22), Moses Robles de Medina (25, 26 en 31), en de erven Isidro (32) en De Meza (40). De synagoge is aangegeven met de letter C. Midden onder staan de wapenschilden van de drie eigenaren van de kolonie: de stad Amsterdam (boven), de West-Indische Compagnie (linksonder) en de familie Van Aerssen van Sommelsdijck.
Reinier Ottens (uitgever), Accurate en origineele afbeeldinge, van Paramaribo, of Nieuw Middelburg, geleegen in de Colonie Zuriname, ca. 1750. Kenneth Boumann
jck
Het theater van toneelgenootschap Thalia werd geopend in 1839. Joden waren van oudsher actief als bestuursleden, acteurs en toeschouwers. Het theater weigerde aanvankelijk de toegang aan ‘tot slaaf gemaakten en personen blootsvoets’. In de negentiende eeuw werden toneelstukken uit Nederland opgevoerd, maar met de opkomst van een Surinaamse middenklasse raakte de lokale bevolking betrokken bij het theaterleven en kwam er ruimte voor stukken van Surinaamse bodem.
1850-1900. Familie Rustwijk
jck
Vaandel van het toneelgenootschap Thalia met vermelding van het oprichtingsjaar 1837. Het masker is een verwijzing naar de godin Thalia, de muze van de komedie en een van de negen Griekse godinnen van de kunsten en wetenschappen.
A.A. Knuijver & Zonen, passement- en borduurwerkfabriek in Den Haag, werkzaam 1858-na 1913. Voor de tentoonstelling geconserveerd, mede dankzij crowdfunding. Stichting Surinaams Museum, Paramaribo
jck
Jacques Salomon Samuels (1859-1939) was schoolhoofd, boekhouder en goudopkoper. In zijn vrije tijd was hij bestuurslid van het toneelgenootschap Thalia en ook een verdienstelijk acteur. Hij schreef enkele toneelstukken, waaronder Te laat, of De wraak van een boer, zijn eerste toneelstuk, dat in 1900 in Thalia werd opgevoerd. Hij is de auteur van Schetsen en typen uit Suriname, postuum verschenen in 1946. Hier zit hij naast zijn vrouw Rozette Pinto, omringd door zijn dochters Estelle, Betsy en Wilhelmina en zijn zuster Betsy.
Ca. 1910. Sonja Vetter-Samuels

 

Vermenging van gebruiken

De eeuwenoude ononderbroken relatie tussen joden en tot slaaf gemaakten en hun nakomelingen leidde tot uitwisseling en vermenging van hun culturen. Dit is zichtbaar in joodse en Afro-Surinaamse gebruiken.

Zo hebben joodse grafzerken in Paramaribo Afro-Surinaamse kenmerken. Na een sterfgeval rouwen joden zeven en Afro-Surinamers acht dagen en bij beide groepen zijn bepaalde gerechten verboden, door joden aangeduid als treef, door Afro-Surinamers als trefoe.

Volgens Afro-Surinaams volksgeloof geneest een door het boze oog ziek geworden kind wanneer een religieus-joodse man een bepaald gebed uitspreekt.

Als gevolg van de vele kinderen die geboren zijn uit gemengde relaties heeft een aanzienlijk deel van de Afro-Surinaamse bevolking joodse wortels en hebben sommige Afro-Surinamers een oorspronkelijk joodse achternaam, zoals Emanuels, Samson of Davids.

jck joods historisch museum joden in de cariben
Het echtpaar Isaac Daniel Fernandes en Klasina Elisabeth Vroom (midden, zittend) met hun acht kinderen en een schoondochter. Klasina kwam uit een familie van vrijgemaakte tot slaaf gemaakten van de plantage Guinese Vriendschap, gelegen aan de Surinamerivier. In 1889 werd de plantage beheerd door S.D. Fernandes en was I. Fernandes gezagvoerder. Huwelijken tussen witte joodse mannen en Afro-Surinaamse vrouwen kwamen in Suriname vaak voor en bevorderden de vermenging van culturen.
Ca. 1908. Familie Fernandes-Vroom
jck
In deze pannen werd pom gemaakt, het Surinaamse ovengerecht van kip, pomtajer en citroensap. Pom heeft vermoedelijk een joodse oorsprong. Vanuit Europa introduceerden joden gerechten met aardappel, die in Suriname echter niet groeide en daarom werd vervangen door de wortelknol van de lokale tajerplant. Joodse Surinamers eten pom op sjabbat en andere feestdagen; ook voor de andere bevolkingsgroepen is pom het feestgerecht bij uitstek geworden.
Pom-pannen, 1825-1875. Adeline Müller Stichting, Paramaribo
jck
Dit soort gouden hangertjes, voorstellende een davidster met de Hebreeuwse letter hee, die staat voor Hasjem, de Eeuwige, wordt veel door Afro-Surinamers gedragen. Het sieraad wordt vaak geschonken bij de geboorte en duidt op een of meerdere joodse voorouders. Typisch voor deze Afro-Surinaamse davidster zijn de bolletjes op de hoeken, die bij een joodse davidster ontbreken. Veel Surinamers geloven dat het dragen van dit sieraad geluk brengt, omdat het de Surinaamse joden goed ging.
20ste eeuw. Particuliere collectie
jck
De begraafplaats op Jodensavanne, die vóór de jaren 1970 bekendstond als ‘negerbegraafplaats’, was vanaf de negentiende eeuw de laatste rustplaats van vrijgeboren en vrijgemaakte Afro-Surinamers. Typisch zijn de eenvoudige houten gedenktekens met een ronde of hartvormige bovenkant. De specifieke modellen zijn waarschijnlijk verspreid door de vele Afro-Surinamers die werkten in de timmerindustrie. Dit type gedenktekens bepaalde in de negentiende eeuw het beeld van vele begraafplaatsen, waaronder ook de joodse.
Gedenktekens op de Afro-Surinaamse begraafplaats op Jodensavanne, 19de en 20ste eeuw. Foto: Julie-Marthe Cohen, 2013
jck joden in de cariben
In 1868 werd een nieuwe Portugees-joodse begraafplaats in Paramaribo in gebruik genomen. De oude dateerde van rond 1700. Op de nieuwe begraafplaats staan wijdverspreid houten gedenktekens die sterke gelijkenis vertonen met die van de Afro-Surinaamse begraafplaats van Jodensavanne. Gedenkplaten met davidster benadrukken de joodse identiteit. Het gebruik van houten gedenktekens illustreert de vermenging van de Surinaams-joodse cultuur met de plaatselijke Afro-Surinaamse cultuur.
Graven op de Portugees-joodse begraafplaats in Paramaribo, 19de en 20ste eeuw. Foto: Julie-Marthe Cohen, 2013

 

Cultureel erfgoed

Tegenwoordig is de ooit hechte band van de Amsterdamse Portugees-joodse moedergemeente met de joodse gemeenten van Suriname en Curaçao nagenoeg verdwenen. Die verwijdering was een geleidelijk proces: de fysieke afstand tussen Nederland en zijn koloniën, de eigenzinnige vorming van een gemeenschap in een koloniale samenleving en de invloed van meer nabijgelegen landen liggen aan deze ontwikkeling ten grondslag.

Toch is de invloed van de Portugees- joodse gemeente van Amsterdam ook na vierhonderd jaar nog tastbaar, niet alleen in Suriname en Curaçao, maar ook in andere Caribische en Noord-Amerikaanse gemeenten die ooit deel uitmaakten van het Portugees-joodse familie- en handelsnetwerk.

Het zijn de rituele voorwerpen, de liturgische muziek, de inrichting van de synagoge en de fysieke kenmerken van grafzerken die de gemeenschappelijke joods-Caribische geschiedenis van deze gemeenten zichtbaar maken en levend houden.

jck
De inrichting van de Portugese synagoge in Amsterdam is vaak nagevolgd in de Cariben. Volgens west-Sefardische traditie staat de kast voor de Torarollen aan de oostwand, de verhoging van waaraf de Tora wordt gelezen aan de westzijde en de zitbanken in de lengterichting. Andere kenmerken zijn de vrouwengalerijen op pilaren en, heel karakteristiek, het zand op de vloer.
Foto’s Curaçao en Jamaica: Wyatt Gallery. Foto Amsterdam: Ruud van Zwet. Foto Suriname: Julie- Marthe Cohen
jck
Het type grafzerken dat ligt op de Portugees-joodse begraafplaats in Ouderkerk aan de Amstel, met Bijbelse taferelen en joodse symboliek, werd vanuit de Republiek naar de Cariben gezonden. De voorstelling van een boom die door een hand wordt omgehakt, staat voor een vroegtijdig afgebroken leven.
Foto’s Curaçao en Jamaica: Wyatt Gallery. Foto’s Amsterdam en Suriname: Julie- Marthe Cohen

 

Colofon

De tentoonstelling Joden in de Cariben. Vier eeuwen geschiedenis in Suriname en Curaçao is in 2015 gehouden in het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Dankzij financiële steun van de Nederlandse Ambassade in Paramaribo was in 2016 in Fort Zeelandia een reproductie van de tentoonstelling in beknopte vorm te zien. Sinds 2019 is deze op Jodensavanne in Suriname permanent te bezichtigen.

De tentoonstelling is onderdeel van het project ‘Ontdek Joods Suriname!’, een initiatief van het Joods Cultureel Kwartier.

Onderzoek, samenstelling en teksten: Julie-Marthe Cohen

Projectmanagement: Pauline Prior & Anita Frank

Financiële ondersteuning van:

jck

Met dank aan:

jodensavanne

 

 

This site is also available in English.