Ooggetuige: Max Amichai Heppner

Artikel

De Duits-Joodse kunsthandelaar en kunsthistoricus Albert Heppner en zijn vrouw Irene Marianne Heppner-Krämer vluchtten in het voorjaar van 1933 vanuit Berlijn naar Nederland. Zij vestigden zich in Amsterdam. Op 15 oktober van dat jaar werd daar hun zoon geboren, Max Bernard.

Albert Heppner besloot de kunsthandel die hij in Berlijn had weer op te zetten in Amsterdam. Daarnaast gaf hij rondleidingen in verschillende musea, met name in het Rijksmuseum. Zijn schoonvader, Jakob Krämer, grootvader van Max, die ook naar Amsterdam was gevlucht, trok bij hen in.

Na het binnenvallen van de Duitse troepen in Nederland op 10 mei 1940 probeerde het gezin tevergeefs te vluchten. Niet veel later confisqueerde de Duitse roofinstelling Dienststelle Mühlmann een deel van de kunstwerken van Heppner ‒ de zevenjarige Max was erbij en zag het gebeuren.

In juli 1942 begonnen de massale deportaties van Joden uit Nederland, via doorgangskamp Westerbork, en later ook via kamp Vught, naar concentratie- en vernietigingskampen in bezet Polen. Opgejaagd door de razzia’s maakten de Heppners opnieuw plannen om te vluchten, samen met een ander Duits-Joods gezin, de familie Graumann. Twee mensensmokkelaars zouden de families tegen betaling naar Zuid-Frankrijk brengen. Jakob Krämer moesten zij achterlaten in de Joodsche Invalide, een Amsterdams verpleeghuis voor Joodse bejaarden en gehandicapten.

De ontsnappingstocht liep fataal af voor de zestienjarige Michael, de zoon van de familie Graumann. Hij werd in Brabant, in de bossen bij Deurne, door de twee smokkelaars vermoord. Zij wilden ook de andere onderduikers ombrengen, maar slaagden daar niet in door tussenkomst van verzetsmannen. De Heppners en Graumanns kwamen toen door inspanningen van het verzet terecht bij boer Harry Jansen, op zijn boerderij in Zeilberg, aan de rand van de Brabantse Peel. Hij ontfermde zich over de beide gezinnen en bracht ze onder in een kippenhok op zijn erf.

Tijdens zijn onderduikperiode tekende Max veel. Hij legde alles wat hij zag vast op papier. In het kippenhok kreeg hij Joodse les en na verloop van tijd tekende hij ook Bijbelse voorstellingen.

Na de bevrijding vertrok Albert Heppner zo snel mogelijk terug naar Amsterdam. Onderweg, in Barneveld, bezweek hij aan de gevolgen van de jarenlange ontberingen tijdens de oorlogsjaren. Hij werd ter plekke begraven. Toen Irene en Max Heppner in Amsterdam aankwamen, konden zij hun huis niet meer in. Van de inboedel was bijna niets meer over.

In 1946 emigreerden Max en zijn moeder naar de Verenigde Staten. Daar voegde Max ‘Amichai’ (Hebreeuws voor ‘mijn volk leeft’) toe aan zijn naam. Hij zou zich voortaan zo noemen. Na de oorlog is hij zich heel bewust gaan richten op zijn Joodse identiteit. ‘Ik wilde weten waarom ik vervolgd was.’

Max Amichai Heppner geeft lezingen op scholen en heeft zijn ervaringen tijdens de Sjoa opgetekend in het boek Ik woon in een kippenhok. Joodse onderduikers in de Peel (2005, vertaald uit het Engels in 2008). Zijn tekeningen zijn opgenomen in de collectie van het Jewish Museum in Maryland, Verenigde Staten. Over het leven van zijn vader publiceerde hij de biografie The Submergers (De onderduikers). Heppner werkt momenteel ook aan een speelfilm (deels gefilmd in Brabant) over de gevolgen van de moord op de jonge Michael Graumann.

‘Jonah zei dat hij niet begreep waarom hij op reis moest en zo voel ik me ook. Soms wil ik ook onder een boom kruipen en huilen, zoals hij deed.’

Jonah and the Whale (Jonah en de walvis). The Jewish Museum of Maryland Archives, schenking Max Amichai Heppner