Ooggetuige: Ulli Jessurun d'Oliveira

Artikel

Jack Eljon (1937)

Ik was bijna twaalf toen de oorlog was afgelopen. De wereld waarin ik opgroeide, was er een waarin ik vermoord moest worden. Dat realiseerde ik me ook. Hoewel, ik heb lang gedacht dat ik een tweede generatie oorlogsslachtoffer ben. Maar in feite ben ik van de eerste generatie, want ik heb het zelf meegemaakt.’

Ulli Jessurun d’Oliveira is de oudste zoon van Amsterdammer Jacob (Jaap) Jessurun d’Oliveira (1908-1978) en de Duitse Gerda Leo (1909-1994). In 1929 ging zijn vader in de leer bij de beroemde fotograaf Albert Renger-Patzsch, in de Duitse stad Essen. Hij specialiseerde zich tot architectuurfotograaf. In 1932 trouwde de Joodse Jessurun d’Oliveira met de Duitse fotograaf Gerda Leo, een jaar later werd Ulli geboren. Drie jaar later kwam er een tweede zoon bij, en in 1938 een dochter. Het gezin woonde in de Kromme Mijdrechtstraat in Amsterdam. Na de oorlog werden er nog twee kinderen geboren.

Jaap Jessurun d’Oliveira had in de laatste jaren voor de oorlog maar weinig opdrachten en zijn financiële situatie was ronduit slecht. Even was hij lid van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB), maar hij haakte af toen de partij steeds duidelijker antisemitisch en pro-Duits werd. Tijdens de Duitse bezetting kondigde de bezetter op 10 januari 1941 een verordening af dat iedereen met ten minste één ‘voljoodse’ grootouder zich moest laten registeren. De meeste mensen gaven hier gehoor aan. Gerda Leo, die een Joodse vader had en twee Joodse grootouders, deed dat niet. Haar man werd daardoor als ‘gemengd gehuwd’ beschouwd en de kinderen als ‘half-Joods’. Jaap Jessurun d’Oliveira had vooral niet-Joodse opdrachtgevers en vanaf 1941 mocht hij niet meer voor hen werken. Hij werd illegaal aangenomen door fotograaf Meyboom om in de donkere kamer te werken. Het gezin werd financieel ondersteund door grootmoeder Leo.

Jessurun d’Oliveira raakte betrokken bij verzetsgroep de Persoonsbewijzen Centrale (PBC), die blanco persoonsbewijzen liet drukken. Ook werkte hij mee aan verzetsactie ‘Aktie Portugesia’. Als ‘gemengd gehuwde’ was illegaal werk voor hem extra gevaarlijk omdat op iedere misstap deportatie kon volgen. Vanaf 18 januari 1944 werd hij tewerkgesteld op Schiphol om bomkraters te dichten, samen met vierhonderd andere Joodse mannen. Drie maanden later werd hij overgeplaatst naar ’t Zand, bij Den Helder. Op Dolle Dinsdag, 5 september 1944, keerde hij terug naar huis. Het voltallige gezin overleefde de Sjoa. Grootvader Eli d’Oliveira, met wie Ulli een nauwe band had, behoorde tot de vele familieleden die waren vermoord.

Na de oorlog werd Jaap Jessurun d’Oliveira docent fotografie op de Kunstnijverheidsschool, de huidige Gerrit Rietveld Academie. Ulli zelf ging rechten studeren in Amsterdam. In 1971 promoveerde hij en begon hij als hoogleraar rechtsfilosofie in Groningen. Later werd hij hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) en aan het Europees Universitair Instituut te Florence, in Italië. In 1995 keerde hij terug naar de UvA om daar de leerstoel migratierecht te bekleden. Naast zijn academische loopbaan was hij bestuurslid van de Landelijk Bureau Racismebestrijding, redacteur bij bladen Propria Cures, Tirade en Merlyn, en voorzitter van het Fonds voor de Letteren van 1996 tot 2003. Hij schrijft boeken, opiniestukken voor kranten en is politiek activist.

In de vaste opstelling in het Nationaal Holocaustmuseum is een reflector te zien die afkomstig is van een landingsbaan op Schiphol. Jaap Jessurun d’Oliveira heeft die, toen hij daar in 1944 was tewerkgesteld, meegenomen en altijd bewaard.

Digitaal Joods Monument

Het Digitaal Joods Monument is een online monument voor de meer dan 104.000 Joden die in Nederland werden vervolgd en de Holocaust niet overleefden.

Hier verzamelen we verhalen en herinneringen. Zo schetst het monument een veelzijdig beeld van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, de Sjoa en de Joodse gemeenschap in Nederland.