Ooggetuige: Moana Hilfman

Artikel

Moana (Frederika Grace) werd geboren in Amsterdam op 26 november 1938 als dochter van Rudolf (Do) Hilfman (1906-1943) en Jochébed Henriette (Jettie) Levisson (1908-1943). Haar vader was handelsreiziger, haar moeder werkte tot haar huwelijk als apothekersassistente. Een paar maanden voor de geboorte van Moana waren haar ouders, die in het voormalige Belgisch Congo woonden, teruggekeerd naar Amsterdam. ‘Moana’ is Lingala (een Bantoetaal) voor ‘kindje’.

Do Hilfman was deels invalide. Hij miste zijn rechterhand door een noodlottig jachtongeluk in Congo. In Nederland kon hij daardoor geen werk meer vinden. Het echtpaar trok in bij Jetties ouders in de Blasiusstraat, die een koosjere bakkerij hadden.

Tijdens de bezetting, in 1941, besloten haar ouders om via Portugal naar Congo te vluchten. Nadat zij met veel moeite de benodigde papieren hadden verkregen, ging het uiteindelijk toch niet door. Beiden konden aan de slag bij de Joodse Raad, waardoor zij gesperrt (tijdelijk vrijgesteld van deportatie) waren.

In de zomer van 1943 ging de kleine Moana ‘uit logeren’. Zij werd ondergebracht bij een kennis van haar ouders in Laren, Johanna (Johtje) Kuyper en haar man Aart Vos. Haar ouders waren niet van plan om onder te duiken. Desondanks had haar moeder Moana gezegd dat zij zich snel bij haar zouden voegen. Maar zij bleef dus alleen op het onderduikadres. Moana: ‘Opeens was er een situatie ontstaan waarin niets meer vanzelfsprekend was, dus daar ben ik heel onzeker van geworden.’ Met moeite voegde zij zich naar het onderduikgezin. Ze had er altijd het vervreemdende gevoel dat zij er weliswaar woonde, maar niet thuishoorde.

Na de oorlog bleek dat Moana’s ouders op 2 juli 1943 in Sobibor waren vermoord, Do Hilfman was 37 jaar oud, Jettie 35. In overleg met de Joodse voogdijraad Le Ezrath Ha-Jeled (Het kind ter hulpe) werd zij toen toevertrouwd aan de broer van haar vader, Mozes (Mo) Hilfman.

Mo Hilfman en zijn gezin zaten tijdens de Japanse bezetting van het toenmalige Nederlands-Indië gescheiden van elkaar in Japanse interneringskampen. Twee van hun drie kinderen overleden een week na hun terugkomst in Nederland in 1946 aan de gevolgen van een mazelenepidemie die zij aan boord hadden opgelopen. Eind 1946 vertrok zijn vrouw met hun dochter en Moana terug naar Indonesië. Mo Hilfman zelf was al eerder afgereisd.

Ongeveer vier jaar later stuurden haar oom en tante de elfjarige Moana terug naar Nederland. Na een verblijf in een doorgangshuis in Amsterdam, werd Moana in 1951 ondergebracht in de Bergstichting, waar ze ‘Mona’ werd genoemd.

In 1962, na haar stagetijd voor apothekersassistente, ging zij werken bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Na haar pensionering is zij zich weer Moana gaan noemen. Ze is altijd naar haar ouders blijven verlangen.