Ooggetuige: Max Arian

Artikel

Max Arian in Limburg 1943

‘Ik weet nog dat een jonge vrouw in verpleegstersuniform me langs een wenteltrap naar beneden bracht en een andere jonge vrouw met meerdere kinderen, onder wie ik, in de trein zat.’ 

Max Arian kwam in maart 1940 ter wereld als zoon van Rebecca Witteboon en Arnold Arian. Het Joodse gezin woonde op driehoog aan de Rapenburgerstraat 91 in Amsterdam.

Rebecca had vóór haar huwelijk als coupeuse gewerkt; Arnold was commercieel schilder - hij maakte onder meer reclameborden voor bioscoop Tuschinski. Hij was een man met linkse sympathieën, die in zijn jeugd gebokst had. Op 11 februari 1941 raakte hij gewond toen hij meevocht met de Joodse knokploegen die in verzet kwamen tegen het geweld van de Weerbaarheidsafdeling (WA) van de NSB. Aan de razzia’s van 22 en 23 februari 1941 wist hij te ontkomen. In januari 1942 werd hij alsnog opgepakt. Hij werd gevangengezet in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans en uiteindelijk naar Auschwitz gedeporteerd en daar vermoord.  

Rebecca werd driemaal gearresteerd, maar kwam telkens vrij met hulp van haar zwager Nico de Klijn, actief in het Joodse verzet rond de Hollandsche Schouwburg. Tweemaal zat zij in dit voormalige theater: een keer ontsnapte ze door over een schutting te klimmen, de tweede keer werd ze bevrijd toen ze vanuit de Schouwburg al naar de Rietlanden was overgebracht, en in de trein naar Westerbork zat. Tijdens haar laatste gevangenschap wist ze een briefje naar haar zwager te smokkelen: ‘Zorg dat het kind wegkomt.’ 

Max Arian met zijn moeder Rebecca Witteboon mei 1945

Nico bracht de kleine Max naar de Crèche. Hij kende Joop Woortman van de NV-groep die actief was bij het wegsmokkelen van Joodse kinderen uit de Crèche. Via deze verzetsgroep werd Max naar Limburg gebracht en in onderduik gebracht. Aan de Crèche zelf heeft hij slechts vage herinneringen, onder meer aan de slaapzaal op de eerste verdieping. Via verschillende adressen in Zuid-Limburg kwam Max in december 1943 terecht bij de familie Micheels op de Molenberg in Heerlen, waar hij liefdevol werd opgenomen.

Het echtpaar had twee kinderen, Eddy en Fien. Voor Fien was Max een levende pop. Ook Rebecca zat in Limburg ondergedoken. Na de oorlog vond ze Max terug. Bij zijn vertrek vroegen zijn pleegouders: ‘Komen jullie snel weer logeren?’. Dat ‘jullie’ bleek voor Max van grote betekenis. Het contact tussen de twee families is tot op de dag van vandaag warm gebleven. Ook met Max’ oma die Theresienstadt overleefde. Zijn speelgoed, al die jaren bewaard door de vroegere buurman van zijn grootouders, Henk Papavoine, kreeg hij terug. 

Max Arian bij zijn pleeggezin 1944

Max studeerde politicologie aan de Universiteit van Amsterdam en werd journalist. Hij werkte lange tijd als redacteur cultuur en buitenland bij De Groene Amsterdammer en schreef daarnaast voor Toneel Teatraal en later Theatermaker. In 1972 was hij medeoprichter van het Chili Comité Nederland, dat protesteerde tegen het regime van de militaire dictator Pinochet.  

In 1992 publiceerde hij in De Groene Amsterdammer het artikel ‘Nederland deportatieland’, waarin hij kritisch reflecteerde op de Nederlandse omgang met de Sjoa, het hoge percentage Joden dat uit Nederland werd gedeporteerd en de nationale geschiedschrijving.  

Max Arian was bestuurslid van het Auschwitz Comité Nederland, het Internationale Auschwitz Comité en maakte lange tijd deel uit van de redactie van het Auschwitz Bulletin

Sinds 1965 is hij getrouwd met Maartje Schönfeld Wichers. Zij hebben drie kinderen, acht kleinkinderen en twee achterkleinkinderen. 

Digitaal Joods Monument

Het Digitaal Joods Monument is een online monument voor de meer dan 104.000 Joden die in Nederland werden vervolgd en de Holocaust niet overleefden.

Hier verzamelen we verhalen en herinneringen. Zo schetst het monument een veelzijdig beeld van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, de Sjoa en de Joodse gemeenschap in Nederland.