Van Mokum naar de mediene en van de mediene naar Mokum

Joods leven buiten de hoofdstad

Joods leven buiten de hoofdstad

Joden buiten Amsterdam leven in de mediene, de benaming voor provinciaal Nederland buiten de hoofdstad. De geschiedenis van de joden in de mediene kenmerkt zich door afwisseling: de ene keer trek naar de mediene, dan weer trek naar de stad, afhankelijk van de economische omstandigheden. Ook in de mediene was er een scheiding tussen asjkenaziem, het overgrote deel van de joden, en de sefardiem, die vaak in het westen in en om de grote steden woonden. 1885 was het hoogtepunt in aantal joodse gemeenschappen: 160 gemeenschappen buiten Amsterdam. Daarna nam het aantal gemeenschappen weer af tot 140 in de jaren dertig.

De Mediene: de IJsselkade in Kampen met synagoge, circa 1909. Collectie Joods Historisch Museum, F004351.

Het begin

Het leven van joden in de mediene begon eind 16e eeuw. Sefardische joden kwamen uit Spanje en vestigden zich in Amsterdam en het westen van het land. Voor die tijd mochten joden zich nauwelijks vestigen in de Nederlanden, maar met de Unie van Utrecht (1597) kwam er grotere godsdienstvrijheid. Uit Duitsland kwamen asjkenazische joden. Zij kwamen terecht in het noorden en oosten van het land: Leeuwarden, Groningen, Appingedam en Nijmegen. Daar ontstonden de eerste joodse gemeenten, een kille of kehilla genaamd. Vooral tijdens de verwoestende Dertigjarige Oorlog in Duitsland kwamen Duitse joden onze kant op. En uit Oost-Europa vluchtten joden voor de vervolgingen daar. De asjkenaziem waren over het algemeen armer dan de sefardiem en zij vestigden zich juist in de mediene omdat zij met hun kleine handel minder op Amsterdam waren gericht. 

Gravure van de inwijding van de synagoge in Leeuwarden in 1805. Collectie Joods Historisch Museum, F302135.
Gravure van de inwijding van de synagoge in Leeuwarden in 1805. Collectie Joods Historisch Museum, F302135.

 

Willekeur

Er was geen algemeen beleid ten aanzien van de vestiging van joden in de Republiek der Verenigde Nederlanden, iedere gemeente voer zijn eigen koers. Sefardische joden waren over het algemeen meer welkom omdat men verwachtte dat hun handelscontacten voorspoed konden brengen. Voor asjknazische joden betekende dat willekeur. Soms waren ze ergens welkom, soms niet en soms waren er allerlei restricties voor hen. Vooral in de 18e eeuw probeerden veel plaatsen joden te weren vanwege hun armoede, niet zozeer vanwege hun joods-zijn. Joden vestigden zich in het hele land maar in Utrecht en de zuidelijke provincies (de Generaliteitslanden) werd hun komst tegengehouden. Tot eind 18e eeuw waren joden niet welkom in Utrecht. Alleen in Maarssen was een kleine sefardische gemeente. In het Zuiden moesten joden een groot bedrag betalen om zich te mogen vestigen. Weinigen konden dat opbrengen.

Handel

Welke beroepen joden mochten uitoefenen in de mediene werd ook per plaats bepaald. In principe mochten joden, net als in Amsterdam, geen lid worden van de gilden. Alleen Zwolle vormde daarop een uitzondering. Geen lid mogen worden betekende dat veel beroepen voor joden waren gesloten en dat zij dus in de vrije beroepen zoals de straat- en geldhandel terecht kwamen, en soms in nieuwe beroepen zoals de tabaks- en diamanthandel. In kleine plaatsen en dorpen waren geen gilden en daar hadden joden meer mogelijkheden. Maar ook daar was kleine handel belangrijk: men werd marskramer of opkoper van oude spullen. En er waren vooral veel slagers. De joodse wetten voor het eten van vlees waren streng en slagers leverden het koosjere vlees dat aan die wetten voldeed.  

Mozes van Straten voor zijn slagerij in Herwijnen, circa 1930. Collectie Joods Historisch Museum, F007251.
Mozes van Straten voor zijn slagerij in Herwijnen, circa 1930. Collectie Joods Historisch Museum, F007251.

18e eeuw: een eigen leefwereld

De 18e eeuw was een eeuw van armoede waarin veel asjkenazische joden nauwelijks het hoofd boven water hielden. Sommigen trokken rond van dorp naar dorp met hun sjofele handelswaar. Eind 18e eeuw kwamen er nog meer joden naar de mediene. Ze verlieten Amsterdam wegens de slechte economische situatie daar. Rond de Zuiderzee waren toen kehillot (meervoud van kehilla) ontstaan en langs de Duitse grens en in Groningen en Friesland.  

Joodse begraafplaats in Elburg, circa 1925. Rond 1700 vestigden zich joden in Elburg. Collectie Joods Historisch Museum, F002878.
Joodse begraafplaats in Elburg, circa 1925. Rond 1700 vestigden zich joden in Elburg. Collectie Joods Historisch Museum, F002878.

Joden waren gezagsgetrouwe burgers die ervoor zorgden geen vijandige gevoelens op te roepen bij de rest van de bevolking of bij de overheid. Verder leefden ze geïsoleerd binnen hun eigen gemeenschappen, met hun eigen leefregels en hun eigen joodse instellingen zoals synagoge, begraafplaats, koosjere slagerijen en rituele bad. Ook de rondtrekkende marskramers kwamen in de 18e eeuw niet veel in contact met niet-joden.

Assmileren of niet?

Vanaf eind 18e eeuw deed het idee van assimilatie langzaam opgang. Dat betekende dat joden zich meer gingen aanpassen aan hun niet-joodse omgeving, zich minder aan joodse religieuze regels gelegen lieten liggen en minder geïsoleerd gingen leven. De niet-joodse omgeving stond ook meer open voor het Jodendom. De ideeën van de Verlichting en van de Franse Revolutie zorgden ervoor dat mensen minder negatief gingen denken over andere groepen in de samenleving en toleranter werden. Maar assimilatie en emancipatie was geen gelopen race: binnen de joodse gemeenschappen waren er ook joden die niet wilden assimileren en vast bleven houden aan hun eigen –religieuze- levenswijze. Die joden zagen het jood-zijn als iets dat door God gegevens was en niet als een persoonlijke keuze. De kleine joodse elite, die het meest verlicht was, zag het Jodendom juist wel als een keuze en dus ook als iets wat je achter je kon laten. 
 

Gelijkberechtiging

Met de komst van de Fransen naar Nederland, kwam er gelijkstelling op alle gebieden voor de joden. In 1796 werd dat vastgelegd. Joden kregen meer rechtsbescherming, mochten alle beroepen uitoefenen en konden zich overal vestigen. Na de Franse tijd bleef deze gelijkstelling bestaan onder koning Willem I.

En de assimilatie, eerst vooral een zaak van de elite, verspreidde zich in de 19e eeuw steeds meer over de arme joodse massa, ook in de mediene. Onderwijs in het Nederlands en voor meisjes bevorderde dit. Met de Onderwijswet van 1857 verdween de subsidie voor religieuze scholen en moesten joodse kinderen naar openbare scholen. Dat betekende nog meer integratie. Alleen de orthodoxe joden bleven vasthouden aan hun geïsoleerde en eigen levenswijze. In de mediene ging de integratie sowieso langzamer omdat men minder meekreeg van de maatschappelijke ontwikkelingen en nieuwe denkbeelden. En omdat ze vaak met zo weinig waren hielden ze juist steviger vast aan hun joods-zijn. 

Trek naar de mediene…

In de 19e eeuw lag de economische bloei juist op de het platteland en niet in de stad en de joden in de mediene profiteerden daar natuurlijk van. Nu was er juist een trek vanuit het verarmde Amsterdam naar de mediene, ook omdat joden zich nu overal mochten vestigen. De bloei van de plattelands economie in de 19e eeuw ging samen met de toename van joden op het platteland en dus met meer joodse gemeenten. In Groningen en Drenthe kwamen meer joodse gemeenten en in Twente. Maar de welvaart moet niet overdreven worden. Velen bleven werkzaam in de handel en hadden het misschien iets beter wegens de gestegen koopkracht van de bevolking. Maar een overgang naar andere beroepen was nog steeds erg moeilijk wegens gebrek aan ervaring en het feit dat joden vaak een andere taal, Jiddisj, spraken en andere gewoonten hadden zoals sjabbat

De synagoge in Assen, circa 1903. Collectie Joods Historisch Museum, F002862.
De synagoge in Assen, circa 1903. Collectie Joods Historisch Museum, F002862.

….en weer terug

Eind 19e eeuw was het juist weer armoe troef voor joden op het platteland: door de landbouwcrisis werd iedereen weer armer. En door de verbeterde infrastructuur, zoals trein en tram, waren mensen minder afhankelijk van joodse handel maar konden ze zelf naar de steden reizen om spullen te kopen. In de steden trok de economie juist weer aan. En de industrialisatie kwam op gang. De toegenomen welvaart was wel weer goed voor de kleine handel in de steden, ook buiten Amsterdam, waarin juist joden actief in waren. Een trek naar de steden was het gevolg, niet alleen naar het westen maar ook naar de textielindustrie in Twente en Brabant. Bovendien zetten enkele joodse ondernemers zelf industrieën of fabrieken op. In Twente waren er de bekende joodse textielbaronnen als Menko in Enschede, Salomons in Almelo en Spanjaard in Borne. In Oss ontstond grootschalige voedselindustrie van de families Van den Bergh, Hartog en Zwanenberg

Fabriekshal van de Spanjaard fabriek te Borne, 1930. Collectie Joods Historisch Museum, F301147.
Fabriekshal van de Spanjaard fabriek te Borne, 1930. Collectie Joods Historisch Museum, F301147.

Na 1945: geen joods leven meer in de mediene

Er kwamen sinds einde 19e eeuw nog maar vier nieuwe joodse gemeenten bij: Apeldoorn, Bussum, Zandvoort en Valkenburg. Behalve in de plaatsen die een duidelijke industriële ontwikkeling doormaakten nam het aantal leden van de kehillot vrijwel overal af. In 1930 waren veel joodse gemeenten verdwenen. De gemeenten aan de Zuiderzee verdwenen voor een deel en die aan de grote rivieren bijna helemaal. Ook in Friesland en Groningen dunde het aantal gemeenten uit. In Friesland waren in 1930 nog 4 joodse gemeenten naast Leeuwarden. Aan de vooravond van de oorlog woonde zestig procent van de Nederlandse joden in Amsterdam. Het geboortecijfer onder joden lag bovendien laag waardoor het aantal joden in Nederland langzaam afnam. Na de Tweede Wereldoorlog was er vrijwel geen joods leven meer in de mediene. Veel synagogen kregen een andere bestemming en vaak ging de inventaris van zo’n synagoge naar Israël, om daar weer een synagoge te vullen. In 2005 waren er 32 joodse gemeenten in Nederland.

De vleeswarenfabrieken van Hartog, Van den Bergh, Zwanenberg en Jurgens in Oss, circa 1927. Collectie Joods Historisch Museum, F002920.
De vleeswarenfabrieken van Hartog, Van den Bergh, Zwanenberg en Jurgens in Oss, circa 1927. Collectie Joods Historisch Museum, F002920.

 

Hoe zag een kille eruit?

Naast 'Mokum' (Amsterdam) is er de 'mediene', waartoe alle joodse gemeenschappen buiten de hoofdstad horen. Voordat een gemeente (kehilla of kille) opgericht kon worden moest er aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Zo moesten er minstens tien mannen van 13 jaar of ouder zijn, een ‘minjan’, voordat er een gebedsdienst gehouden kon worden.

Vaak diende eerst een kamer in een woonhuis of boerderij als plaats van samenkomst, voordat er een synagoge mocht worden gebouwd. Naast een synagoge was er een ritueel bad ofwel mikwe nodig, en eigenlijk ook een schoollokaal. 

De bestuurders van de gemeente werden gekozen en heetten parnassiem. Zij waren verantwoordelijk voor het handhaven van de orde en voor het sociale en economische reilen en zeilen van hun gemeente. Afhankelijk van de financiële middelen had een joodse gemeente een rabbijn, een voorzanger, een onderwijzer en een schrijver. In verband met de voedselvoorschriften was de aanwezigheid van een ritueel slachter en een toezichthouder noodzakelijk. In de meeste kleinere gemeenten werden deze functies gecombineerd. Diverse liefdadigheidsinstellingen vervulden een belangrijke sociale en religieuze rol.

Het ingangsportaal van de Hof Goozen vlak voor de sloop. Hof Goozen was een bejaardenhuis in Oranjeklooster, Leeuwarden en werd  in 1887 geopend door het Nederlands Israëlitisch Armbestuur in Leeuwarden. Collectie Joods Historisch Museum, F001986
Het ingangsportaal van de Hof Goozen vlak voor de sloop. Hof Goozen was een bejaardenhuis in Oranjeklooster, Leeuwarden en werd  in 1887 geopend door het Nederlands Israëlitisch Armbestuur in Leeuwarden. Collectie Joods Historisch Museum, F001986

 

This site is also available in English.